Grammatica woordsoorten par. 1.1

WELKOM
3 Kader
Welkom bij Nederlands!

1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

WELKOM
3 Kader
Welkom bij Nederlands!

Slide 1 - Slide

Programma
  • Lezen
  • Instructie taalverzorging 
  • Aan de slag! 

Slide 2 - Slide

Lees blz. 22-35

Slide 3 - Slide

Par. 1 Woordsoorten
  • Het doel van deze les is dat je verschillende woordsoorten herkent.

Taalverzorging grammatica

Slide 4 - Slide

woordsoorten

Slide 5 - Mind map

Wat is een werkwoord?

Slide 6 - Open question

Werkwoord (ww)
Een werkwoord (ww) zegt wat iemand of iets doet of overkomt.

  • persoonsvorm (pv)
  • infinitief (inf)
  • voltooid deelwoord (vd)
  • tegenwoordig/onvoltooid deelwoord (od)

Slide 7 - Slide

Wat is een zelfstandig naamwoord?

Slide 8 - Open question

Zelfstandig naamwoord (zn)
Mens, dier, ding of gevoel

  • je kunt er meestal een lidwoord voor zetten.
  • je kunt er meestal een meervoud van maken.
  • je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.

Slide 9 - Slide

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

Slide 10 - Open question

Bijvoeglijk naamwoord (bn)
Geeft extra informatie over een zelfstandig naamwoord.

  • er kunnen meerdere bn voor een zn staan gescheiden door een komma.
  • een bn kan ook achter een zn staan.
  • deelwoorden kunnen ook gebruikt worden als bn.
  • stoffelijk bn (stof.bn): zegt van welk materiaal iets gemaakt is.

Slide 11 - Slide

Wat is een lidwoord?

Slide 12 - Open question

Lidwoord (lw)
Staan voor een zelfstandig naamwoord, soms met andere woorden ertussen.

  • de = een bepaald lidwoord
  • het = een bepaald lidwoord
  • een = onbepaald lidwoord

Slide 13 - Slide

Benoem de woorden
  • Jan fietst een kort rondje.

  • Marieke gaat een moeilijk liedje fluiten. 

  • De jongen heeft een moeilijke toets gemaakt.

Slide 14 - Slide

Aan de slag!
  • Leren: de theorie van Taalverzorging par. 1.1 woordsoorten.

  • Maken:  niveau 4 opdracht 1-4
                        niveau 3: opdracht 1-6


Klaar?
 Ga oefenen op 

https://www.cambiumned.nl/oefenen/grammatica/woordsoorten/ 

Slide 15 - Slide

Wat is een persoonlijk voornaamwoord?

Slide 16 - Open question

Persoonlijk voornaamwoord
(pers.vnw.)
  • duidt iemand of iets aan

ik, jij, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie, u, zij/ze


mij/me, jou/je, u, hem, haar, het, ons, jullie, u, ze/hen/hun

Slide 17 - Slide

Wat is een bezittelijk voornaamwoord?

Slide 18 - Open question

Bezittelijk voornaamwoord   (bez. vnw.)
  • Geeft aan van wie iets is en staat voor het bezit.

mijn, jouw/je, uw, zijn, haar, zijn, ons/onze, jullie, uw, hun

Slide 19 - Slide

Wat is een aanwijzend voornaamwoord?

Slide 20 - Open question

Aanwijzend voornaamwoord        (aanw. vnw.)
  • een aanw. vnw. verwijst naar iets:

deze, die, dit, dat, zulk(e), zo'n, dergelijk(e)

de-woord: deze en die: de jongen, die.....
het-woord: dit en dat: het meisje, dat....
meervoud: deze en die: die/deze mensen

Slide 21 - Slide

Wat is een voegwoord?

Slide 22 - Open question

Voegwoord (vgw)
  • Verbindt twee zinnen met elkaar.

Vaak tussen twee zinnen, maar kan ook vooraan een zin staan.

en, of, maar, want, omdat, als, toen, terwijl, aangezien


Slide 23 - Slide

Wat is een voorzetsel?

Slide 24 - Open question

Voorzetsel (vz)
  • staat vaak voor een znw en geeft vaak een tijd, richting, plaats of reden aan. 



Slide 25 - Slide

Benoem de woorden
De oude man heeft gisteren zijn blauwe fiets opgehaald, die hij had laten staan op het station, in de hoofdstad van de provincie waar hij woonde.
  1. alle werkwoorden en welke vorm hebben ze?
  2. alle zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden
  3. alle lidwoorden en voorzetsels        
  4. alle persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden

Slide 26 - Slide

Aan de slag!
  • Leren: de theorie van Taalverzorging par. 1.1

  • Maken: Taalverzorging
 N4:par. 1.1  opdr. 5-9.
N3: par. 1.1 opdr. 7-14
  • Klaar? Oefen verder op www.cambiumned.nl.

Slide 27 - Slide