This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 30 min
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
der
- mannelijke persoons- en diernamen, zoals:
der Lehrer, der Mann, der Stier
Slide 2 - Slide
die
1. Vrouwelijke persoons- en diernamen, zoals
die Lehrerin, die Frau, die Kuh
2. Woorden die eindigen op -e, zoals
die Adresse, die Toilette, die Schule, die Lampe
Slide 3 - Slide
das
Veel het-woorden in het Nederlands zijn in het Duits das-woorden, zoals
het kind - das Kind
het haar - das Haar
het dorp - das Dorf
Slide 4 - Slide
die (mv)
woorden die in het meervoud staan krijgen altijd die.
Ook als het vrouwelijke of onzijdige woorden zijn.
Slide 5 - Slide
... Klasse
A
der
B
die
C
das
Slide 6 - Quiz
... Buch
A
der
B
die
C
das
Slide 7 - Quiz
.... Junge
A
der
B
die
C
das
Slide 8 - Quiz
... Mädchen
A
der
B
die
C
das
Slide 9 - Quiz
... Männer
A
der
B
die
C
das
Slide 10 - Quiz
Nu zelf
Bij de volgende vragen ga je zelf het juiste antwoord invullen. Je hoeft alleen der, die of das te typen.
Slide 11 - Slide
... Schule
Slide 12 - Open question
... Spiel
Slide 13 - Open question
... Stier
Slide 14 - Open question
... Menschen
Slide 15 - Open question
... Brötchen
Slide 16 - Open question
... Freund
Slide 17 - Open question
_____ Freundin welk onbepaald lidwoord past?
Slide 18 - Open question
Nu zelf
Bij de volgende vragen ga je zelf het juiste antwoord invullen. Je verandert het bepaald lidwoord der, die of das naar een onbepaald lidwoord einof eine