zeeën en oceanen

zeeën en oceanen
1 / 37
next
Slide 1: Slide
AardrijkskundeSecundair onderwijs

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

zeeën en oceanen

Slide 1 - Slide

1 de vijf oceanen situeren op een wereldkaart.
2 het verschil tussen oppervlaktezeestromen en diepzeestromen verduidelijken.
3 het ontstaan van oppervlaktezeestromen verklaren.
4 de impact van oppervlaktezeestromen uitleggen.
5 het ontstaan van diepzeestromen verklaren.
6 de verschillende lagen van de oceaan met hun kenmerken verduidelijken (WET).
7 atlaskaarten gebruiken in functie van een opdracht.

Slide 2 - Slide

atlantische oceaan
arctische oceaan
Indische oceaan
Antarctische oceaan
grote oceaan
grote oceaan

Slide 3 - Drag question

Waarom ziet een oceaan er blauw uit?
  • De kleur van de zee wordt beïnvloed door de zon.
  • Zonlicht bestaat uit verschillende kleuren.
  • Golflengte bepaalt hoe diep licht in het water doordringt.
  • Rood licht: langere golflengte, dringt minder diep door.
  • Blauw licht: kortere golflengte, dringt dieper door.
  • Schoon en diep water reflecteert vooral blauw licht.

Slide 4 - Slide

Waardoor wordt de kleur van de zee voornamelijk beïnvloed?

A
De temperatuur van het water
B
De zon en de eigenschappen van licht
C
De hoeveelheid zout in het water
D
De diepte van de oceaan

Slide 5 - Quiz

Waarom dringt rood licht minder diep door in het water dan blauw licht?

A
Rood licht heeft een langere golflengte en wordt sneller geabsorbeerd
B
Blauw licht is zwakker dan rood licht
C
Rood licht wordt volledig weerkaatst aan het wateroppervlak
D
Blauw licht heeft een langere golflengte dan rood licht

Slide 6 - Quiz

Waarom lijkt diep en schoon water meestal blauw?

A
Het water zelf is van nature blauw
B
Blauw licht dringt dieper door en wordt weerkaatst
C
Er zit meer zuurstof in diep water, wat voor de blauwe kleur zorgt
D
De oceaanbodem reflecteert blauw licht

Slide 7 - Quiz

kleur van rivieren, meren, zeeën en kustgebieden
  • zijn vaak ondieper en bevatten meer vervuilende elementen, zoals algen en losse rotsen.
  • kunnen de blauwe stralen niet diep in het water doordringen. 
  • andere kleuren voor die wateroppervlakken, zoals bruin, grijs en groen.

Slide 8 - Slide

hoge thermische inertie
De oceanen nemen zonnewarmte op en koelen af door verdamping. 
Door hun hoge thermische inertie warmen en koelen ze langzaam, waardoor ze langdurig warmte opslaan en geleidelijk afgeven in vergelijking met het land
Dit beïnvloedt het weer en de temperatuur op het land sterk.

Slide 9 - Slide

hoge thermische inertie
Het is dus niet altijd warmer hoe dichter je bij de evenaar komt. Daarnaast zijn er grote temperatuurverschillen tussen verschillende plaatsen. De oceanen spelen daarin een grote rol.
 vergelijk Bergen in Noorwegen en New York in de Verenigde Staten. 
Beantwoord de vragen in lernova Opdracht 2

Slide 10 - Slide

Hoe beïnvloeden oceanen de temperatuur op aarde?

A
Ze nemen zonnewarmte op en geven die direct af.
B
Ze slaan warmte op en geven die langzaam af.
C
Ze koelen de lucht onmiddellijk af.
D
Ze zorgen ervoor dat alle gebieden even warm blijven.

Slide 11 - Quiz

Wat betekent ‘hoge thermische inertie’ van water?
A
Water warmt snel op en koelt snel af.
B
Water verandert nauwelijks van temperatuur.
C
Water warmt langzaam op en koelt langzaam af.
D
Water beïnvloedt de luchtdruk niet.

Slide 12 - Quiz

Waarom werken oceanen als ‘kachels’ en ‘koelkasten’ van de planeet?
A
Ze slaan warmte op en geven die geleidelijk af.
B
Ze verdampen volledig in de zomer en bevriezen in de winter.
C
Ze produceren hun eigen warmte.
D
Ze absorberen geen zonlicht.

Slide 13 - Quiz

​De beweging van de zeestromen wordt bepaald door drie factoren:


A dichtheidsverschillen door het zoutgehalte en de temperatuur;
B het corioliseffect en de wind;
C de ligging van de continenten.

Daardoor ontstaan er zeestromen of oceanische circulatie. De zeestromen maken als het ware een cyclus doorheen alle wateren van de oceanen, om weer te eindigen op de plaats waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen.

Slide 14 - Slide

A Dichtheidsverschillen door het zoutgehalte en
de temperatuur
  • Smeltende gletsjers voegen zoet water toe aan de oceaan, waardoor het zoute water verdund wordt. 1000 kg/m³, 
  • Bij de evenaar zorgt verdamping ervoor dat het water zouter wordt.  1025 kg/m³.
  • Omdat zout water een hogere dichtheid heeft dan zoet water, ontstaat er een stroming tussen de polen en de evenaar om het evenwicht te behouden.

Slide 15 - Slide

B Het corioliseffect en de wind
  • Het corioliseffect beïnvloedt zowel lucht- als waterstromen.
  • Op het noordelijk halfrond buigt water naar rechts af en op het zuidelijk halfrond naar links. 
  • sleept de wind het water mee.
  • Hierdoor wordt warm oceaanwater van de evenaar naar de polen verplaatst, waar het afkoelt. 
  • De snelheid van deze stromingen hangt af van de windsterkte.

Slide 16 - Slide

C De ligging van de continenten
Als er geen continenten waren, zouden de oppervlaktezeestromen zich voornamelijk evenwijdig met de breedtelijnen (horizontaal) voortbewegen. 
Maar de stromen botsen tegen de verschillende continenten, waardoor ze afbuigen en gesloten circulatiecellen vormen. 

Slide 17 - Slide

C De ligging van de continenten
Enkel in de Antarctische Oceaan ontbreken die cellen, omdat er daar geen grote continenten aanwezig zijn en de horizontale stromen niet worden onderbroken.

Slide 18 - Slide

Welke factor speelt GEEN rol bij de beweging van zeestromen?
A
Dichtheidsverschillen door zoutgehalte en temperatuur
B
Het corioliseffect en de wind
C
De maanfasen en getijden
D
De ligging van de continenten

Slide 19 - Quiz

Wat gebeurt er met het zeewater aan de evenaar door de warmte?
A
Het verdampt gedeeltelijk, waardoor het zoutgehalte stijgt.
B
Het mengt met smeltwater, waardoor het zoutgehalte daalt.
C
Het wordt lichter en stijgt op naar koudere gebieden.
D
Het stroomt direct naar de Zuidpool zonder afbuiging.

Slide 20 - Quiz

Hoe beïnvloedt het corioliseffect de zeestromen?
A
Het zorgt ervoor dat waterstromen recht naar de polen bewegen.
B
Het buigt waterstromen af: naar rechts op het noordelijk halfrond en naar links op het zuidelijk halfrond.
C
Het versnelt het smelten van gletsjers aan de polen.
D
Het maakt de waterstromen zwaarder door meer zout toe te voegen.

Slide 21 - Quiz

Waarom ontbreken gesloten circulatiecellen in de Antarctische Oceaan?
A
Omdat er geen wind aanwezig is die de stromingen beïnvloedt.
B
Omdat er geen grote continenten zijn die de stromingen onderbreken.
C
Omdat het water daar volledig bevroren is en niet kan stromen.
D
Omdat het corioliseffect daar niet werkt.

Slide 22 - Quiz

Er bestaan twee soorten zeestromen: oppervlaktezeestromen en diepzeestromen.
de oppervlaktestromen



De oppervlaktezeestromen worden voornamelijk veroorzaakt door het corioliseffect en de wind.

Slide 23 - Slide

Welke invloed hebben warme zeestromen op het klimaat van aangrenzende landgebieden?
A
Ze zorgen voor drogere omstandigheden en extremere temperaturen.
B
Ze verhogen de luchtvochtigheid en matigen de temperaturen.
C
Ze veroorzaken extreme koude in de winter en hitte in de zomer.
D
Ze verminderen de hoeveelheid neerslag in alle seizoenen.

Slide 24 - Quiz

Waarom leiden koude zeestromen vaak tot woestijnvorming langs kustgebieden in warmere regio's?
A
Koude zeestromen verdampen sneller, waardoor minder neerslag valt.
B
De droge lucht die door koude zeestromen wordt gekoeld, bevat minder vocht.
C
Koude zeestromen brengen minder zout water, wat verdamping verhindert.
D
De afkoeling van de lucht leidt tot verhoogde neerslag in het binnenland.

Slide 25 - Quiz

Wat is de belangrijkste oorzaak van de oppervlaktezeestromen in de oceanen?
A
De interactie tussen zoet- en zoutwaterstromen.
B
De getijdenwerking veroorzaakt door de maan.
C
Vulkanische activiteit op de oceaanbodem.
D
De rotatie van de aarde en overheersende winden.

Slide 26 - Quiz

Wat is een kenmerkend effect van een koude zeestroom op een nabijgelegen kustgebied in een gematigde zone?
A
Het klimaat wordt vochtiger en de kans op regen neemt toe.
B
De gemiddelde temperatuur stijgt door de afkoeling van de oceaan.
C
De wintertemperaturen zijn lager en de zomertemperaturen hoger dan normaal.
D
De luchtcirculatie wordt verstoord, waardoor orkanen ontstaan.

Slide 27 - Quiz

Welke van de volgende beweringen over warme en koude zeestromen is niet correct?
A
Warme zeestromen zorgen voor een mildere winter en een koelere zomer in kustgebieden.
B
Koude zeestromen verminderen de luchtvochtigheid en kunnen woestijnen veroorzaken.
C
De temperatuur van een zeestroom heeft geen invloed op het klimaat van nabijgelegen landgebieden.
D
De corioliskracht beïnvloedt de richting van zeestromen.

Slide 28 - Quiz

Slide 29 - Slide

zoek op en duid aan op de kaart
de Noordelijke Grote of Stille Oceaan.
de Zuidelijke Grote of Stille Oceaan.
de Noordelijke Atlantische Oceaan.
de Zuidelijke Atlantische Oceaan.
de Indische Oceaan.
de Zuidelijke Oceaan (ook Antarctische Oceaan genoemd)
de Noordelijke IJszee (ook Arctische Oceaan genoemd)

Slide 30 - Slide

zoek op en duid aan op de kaart
Noordatlantische Oceaan
Noordequatoriale stroom, Golfstroom, Noord-Atlantische stroom, Labradorstroom, Equitoriale stroom, 

Slide 31 - Slide

zoek op en duid aan op de kaart
Zuidatlantische Oceaan
Zuidequatoriale stroom, Falklandstroom

Noord-Pacific
Noordequatoriale stroom, Noord-pacifische stroom, Alaskastroom,  Equatoriale tegenstroom

Slide 32 - Slide

zoek op en duid aan op de kaart
Zuid-Pacific
Zuid-equatoriale stroom, Oost-Australische stroom, Equatoriale tegenstroom
Noord-indische Oceaan
Moessondrift, Equatoriale tegenstroom, 
Zuidindische Oceaan
Zuid-equatoriale stroom, West-australische stroom

Slide 33 - Slide

Er bestaan twee soorten zeestromen: oppervlaktezeestromen en diepzeestromen.
Diepzeestromen
  • oppervlaktestromen voornamelijk  tot een diepte van 400 meter
  • diepzeestromen zich veel dieper in de oceanen. 
  • Je spreekt van thermohaliene circulatie.
  • Diepzeestromen ontstaan door verschillen in de temperatuur en het zoutgehalte van het water.







Slide 34 - Slide

Diepzeestromen
Zout water is 2 à 3 procent zwaarder dan zoet water, en koud water is zwaarder dan warmer water. Het zoutere water zal naar de bodem zinken en eenmaal aangekomen naar opzij wegstromen.  Hierdoor ontstaat een convectiestroming, in dit geval thermohaliene stroming genoemd.

Slide 35 - Slide

Die transportband van de oceaan wordt ook de Noord-Atlantische Diepwaterpomp of NADP genoemd. Dat systeem geldt weliswaar voor de hele wereld, maar is voor het eerst waargenomen in de Atlantische Oceaan.

De NADP bestaat uit vijf grote cirkelvormige zones of gyres die met elkaar verbonden zijn.

Slide 36 - Slide

noord-Atlantische Gyre
noord-Atlantische Gyre
Indische gyre
Noord Pasifische gyre
Zuid Pasifische gyre

Slide 37 - Drag question