Profiel bloem leerjaar 4KL

Toetsvoorbereiding leerjaar 4KL
timer
1:00
1 / 39
next
Slide 1: Slide
GroenVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Toetsvoorbereiding leerjaar 4KL
timer
1:00

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat betekend non Verbale communicatie?
A
Alleen met woorden
B
Met gebaren, gezichtsuitdrukking en uitstraling
C
Alleen met gebaren
D
Met alleen je handen en voeten

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekend Verbale communicatie
A
Door elkaar aan te kijken
B
Met gezichtsuitdrukking
C
Met woorden
D
Met gebaren

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen non-verbale en verbale communicatie?

Slide 4 - Open question

This item has no instructions

Wat is koopwens?
A
Het product dat een klant wilt kopen
B
Het product dat de verkoper wilt verkopen
C
Het product wat de klant niet wilt kopen
D
Het product wat in de actie is

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Wat is Inpulsaankoop?
A
De klant koopt wat hij van plan was
B
De klant koopt niks
C
De klant twijfelt wat hij wil kopen
D
Een klant koopt zonder dat hij het van plan was.

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Met Valentijn willen veel mensen vaak rozen geven. De prijs van rozen zijn dan hoog. Waardoor komt dit?
A
Weinig vraag
B
Veel vraag en veel aanbod door Valentijn
C
Veel aanbod
D
Omdat het voorjaar is

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Wat is Bijverkoop?
A
Een artikel wat de klant er niet bij wilt kopen.
B
Een artikel wat de verkoper niet verkoopt
C
De klant koopt gedwongen
D
Een extra artikel bij de koopwens van een klant

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een inkoopkanaal?

Slide 9 - Open question

This item has no instructions

Bloemen en planten worden
ingekocht . Hoe noem je dat inkoopkanaal?
A
Voorraadkanaal
B
Vrachtkanaal
C
Magazijnkanaal
D
Veiling/groothandel

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Veiling
Producent
Groothandel
Bloemist en/of school
Consument

Slide 11 - Drag question

This item has no instructions

Leg uit waarom bloemen die geëxporteerd worden naar Afrika milieubelastend zijn?

Slide 12 - Open question

This item has no instructions

Dit boeket is gebonden in een speciale techniek.



Hoe heet deze techniek?

Slide 13 - Slide

Korenschoof techniek
Als we een boeket of bloemstuk maken dan spreken we over een compositie. Wat is een compositie?
A
Hoe een materiaal is opgebouwd
B
Hoe een materiaal aanvoelt
C
Ordening van producten tot één geheel
D
Hoe alles los van elkaar eruitziet

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions


Slide 15 - Open question

This item has no instructions

Wat bedoelen we
met een lineair bloemwerk
A
Rechte evenwijdige lijnen met de bloemen en bladmateriaal
B
Alles kris kras door elkaar
C
Alles korenschoof gestoken
D
Alles horizontaal steken

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Als je een bloementaart maakt gebruik je dan de bind of steek techniek?
A
bind
B
steek

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een
decoratieve
alzijdige schikking ?

Slide 18 - Mind map

This item has no instructions

Noem 3 adviezen die je de klant mee moet geven bij aankoop van een boeket.

Slide 19 - Open question

This item has no instructions

Wat is textuur?

Slide 20 - Open question

This item has no instructions

Wat zijn arbeidskosten?
A
De kosten die je terug krijgt van de belasting
B
De kosten die je niet berekend voor arbeid
C
De kosten die je telt voor de arbeid
D
De kosten die de klant betaald

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Bloementaart kost 33.00 euro. Wat is een derde deel van 33,00 ?



Slide 22 - Open question

This item has no instructions

Wat zijn productkosten?
A
De kosten die je telt voor de productie
B
De kosten die de klant maakt
C
De kosten van de winkel
D
De inkoopprijs

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Wat is opslagpercentage?
A
Verkoopprijs
B
Winstopslag
C
Productkosten
D
Consumentenprijs

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekend BTW?
A
Betalen Totale Waarden
B
Beter Terug Werken
C
Belasting Toegevoegde Waarde
D
Beter Terug Wet

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Welke twee BTW tarieven hebben we in Nederland?
A
21% en 6%
B
9% en 20%
C
12% en 23%
D
9% en 21%

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Welke producten vallen onder 9%
A
Bloemen en planten
B
Tafel
C
Televisie
D
Bloempotten en vazen

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Welke producten vallen onder 21%
A
Bloemen en planten
B
Vazen en bloempotten
C
Medicijnen
D
Bomen en struiken

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

inkoopprijs + opslagpercentage = verkoopprijs excl. BTW
Klopt dit?
A
Nee
B
Ja

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Inkoopprijs + opslagpercentage + btw = verkoop/consumentenprijs incl. btw. Klopt dit?
A
Ja
B
Nee

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Een vaas kost 19,95 euro. Klant krijgt 10% korting. Wat kost de vaas nu afgerond op 2 decimalen?
A
17,50 euro
B
18,00 euro
C
18,95 euro
D
17.955 = 18.00 euro

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

Voorbeelden variabele kosten in een winkel?
A
Elektriciteit en gas en personeelskosten
B
Huur pand

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Waarom moet je steekschuim nooit onderdompelen?

Slide 33 - Open question

This item has no instructions

Wat is een open en gesloten vraag?

Slide 34 - Open question

This item has no instructions

Wat is een blikvanger in bijvoorbeeld een etalage van een winkel?

Slide 35 - Mind map

This item has no instructions

Beschrijf de 6 p's van de
marketingmix!

Slide 36 - Mind map

This item has no instructions

Wat betekend Sociale vaardigheden?
A
Omgaan met jezelf en andere mensen.
B
Door geen kritiek te willen ontvangen.
C
Door niet voor jezelf en anderen op te komen
D
Door niet naar gevoelens te luisteren.

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekend Empathie?
A
Niet reageren als iemand tegen je praat
B
Geen oog hebben voor iemand die verdrietig is
C
Geen vraag stellen aan een ander
D
Aanvoelen hoe iemand zich voelt

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekend Omgangsvormen?
A
Niet gedag zeggen bij binnenkomst winkel
B
Boos worden als klant niks koopt
C
De juiste gewoontes, netjes en beleefd
D
Niet luisteren naar de klant

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions