Paragraaf 3.1 + 3.2

Weektaak
Woensdag 19 november

voorkennis + 3.1
+ 3.2 (11 t/m 14 + 17 t/m 20)


1 / 32
next
Slide 1: Slide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 32 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Weektaak
Woensdag 19 november

voorkennis + 3.1
+ 3.2 (11 t/m 14 + 17 t/m 20)


Slide 1 - Slide

Planning
Voorkennis
3.1 Lineair of niet
Opdrachten maken
3.2 Grafiek tekenen
Opdrachten maken


Slide 2 - Slide

Voorkennis
Startopdracht

Maken opdracht 1 t/m 3 ( bladzijde 114 )
timer
5:00

Slide 3 - Slide

Voorkennis
Wat is belangrijk om te onthouden uit de kennis?
  • Tussen een cijfer en een letter staat een x.

  • Je kunt alleen een getal invullen op de plek van een letter of woord.
      Dit noem je de
    variabele.

  • Als er steeds hetzelfde bij komt, is de grafiek een rechte lijn.

Slide 4 - Slide

Wat is belangrijk om te onthouden uit de kennis?

Slide 5 - Slide

Leerdoel paragraaf 3.1

Advies: maak een leerdoelenlijst 

Je kunt benoemen of een grafiek een lineaire grafiek
of een vloeiende kromme is

Slide 6 - Slide

3.1 Lineair of niet
Belangrijk
- grafieken tekenen met potlood.
- alleen een geodriehoek gebruiken bij een rechte lijn

Slide 7 - Slide

Theorie A
Lineair verband
Er is een regelmatige toename of afname.
Er komt per één stap (uur) steeds hetzelfde bij

Vloeiende kromme
gebogen lijn

Slide 8 - Slide

Deze grafiek is geen rechte lijn.

We noemen dit een vloeiende kromme.

De grafiek hiernaast stijgt steeds sneller.
Hoe kun je dit zien?

Slide 9 - Slide

3.1 Lineair of niet?
Waarom is dit lineair?

Slide 10 - Slide

3.1 Lineair of niet?
Waarom is dit lineair?
Per uur komt er € 2,61 bij

Slide 11 - Slide

3.1 Lineair of niet?
Je kan deze formule ook korter schrijven:
I = 2,61 x t

Slide 12 - Slide

Testopgave
Bladzijde 116
timer
5:00

Slide 13 - Slide

Opdrachten maken
Nakijken en route bepalen

Opdracht 1 t/m 7
Opdracht 1, 3 t/m 8
Opdracht 1, 4 t/m 9
timer
5:00

Slide 14 - Slide

Afronding paragraaf 1
Je kunt benoemen of een grafiek een lineaire grafiek
of een vloeiende kromme is.

Schrijf dit in eigen woorden
Wat is het verschil tussen een lineaire grafiek
en een vloeiende kromme?

Slide 15 - Slide

Leerdoelen paragraaf 2
  • Je kunt in een formule de variabelen benoemen

  • Je kunt een woordformule veranderen in een formule met letters

  • Je kunt in een formule de richtingscoefficient benoemen

  • Je kunt een grafiek bij een lineaire formule tekenen 

Slide 16 - Slide

3.2 Lineaire grafiek bij een formule

K = 125 + 34t                   N = 24 - 6a                     T = 273 + 3,45b

Wat zijn de variabelen?

Slide 17 - Slide

3.2 Lineaire grafiek bij een formule



Dit noem je een woordformule (er staan woorden in).

Hierin zijn de woorden de variabelen.

Hier zijn de variabelen dus Inkomsten en Tijd.

Daarbij horen eenheden. In dit geval euro en uren.


Inkomsten in euro = 4,50 x tijd in uren

Slide 18 - Slide

3.2 Lineaire grafiek bij een formule

De woordformule kun je ook korter schrijven.

 Je gebruikt dat letters.

Inkomsten in euro = 4,50 x tijd in uren


wordt dan

I = 4,50t

 


Slide 19 - Slide

Voorbeeldvraag
Totale bedrag = 15 + 2,50 x aantal attracties
a Maak een formule met letters
b wat zijn de variabelen in de formule met letters?
c Welke eenheden horen bij de variabelen?
d Hoeveel betaal je bij 6 attracties?
timer
3:00

Slide 20 - Slide

Opdrachten maken
11 t/m 14
timer
10:00

Slide 21 - Slide

Theorie C
Van formule naar grafiek

Waar begint de grafiek? Begingetal uit de formule.
Wat komt er steeds bij? Bekijk de richtingscoefficient.
Teken de punten en trek een rechte lijn door de punten.

Slide 22 - Slide

3.2 Lineaire grafiek bij een formule

Vaak staat er onder de formule meer info:


K = 4,50 + 5,20a

K = kosten in euro                 de variabelen hier zijn K en a

a = aantal kilo                          de gebruikte eenheden euro en kilo


 

Slide 23 - Slide

Een lineaire formule bestaat uit

1. een begingetal (kan ook 0 zijn).
Het vaste aantal in de formule

2. een richtingscoefficient (afgekort r.c.). De r.c. wordt soms ook daalgetal of stijggetal genoemd.

3. Twee variabelen


Voorbeeld:

1: € 4,50 is het begingetal

2: € 5,20 is de richtingscoefficient.
     Er komt steeds € 5,20 bij.

3: K en a zijn de variabelen.

Slide 24 - Slide

  • Welk getal is de richtingscoëfficiënt?




  • Wat is het maximum?




  • Wat is het minimum?              begingetal 
Het maximum is 32,50
Het minimum is 20.

Slide 25 - Slide

K = 12,50 + 0,025 t
Per minuut komt er € 0,025 bij.

In de tabel zijn stappen van 100 minuten gegeven.

De stappen op de verticale as bepaal je als je dat tabel hebt ingevuld.

Vul de tabel in, reken mee.
Tekst
Wat betekent die kreukellijn?

Slide 26 - Slide

K = 12,50 + 0,025 t
Je hebt 7 hokjes.

12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18
Je kunt hier stappen van 1 nemen. 

Bekijk altijd: 1, 2, 5, 10, 50 of 100. 
Ga daarna andere opties bekijken.

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Grafiek tekenen
Je kunt zelf uitrekenen hoe hoog de verticale as 
moet worden als dat nodig is. 

Lengte in cm = 25 + 5 x tijd in dagen
Teken de grafiek voor twee weken.

Hoe pak je dit aan?

Slide 29 - Slide

Grafiek tekenen

Lengte in cm = 25 + 5 x tijd in dagen

Teken de grafiek voor twee weken.
Hoe pak je dit aan?


2 weken = 14 dagen
25 + 5 x 14 = 95 
Minimum = 25
Maximum = 95

Stappen van 10 is handig.

Slide 30 - Slide

Maken
17 t/m 20

12:15 lesafronding

Slide 31 - Slide

Leerdoelen paragraaf 2
  • Je kunt in een formule de variabelen benoemen

  • Je kunt een woordformule veranderen in een formule met letters

  • Je kunt in een formule de richtingscoefficient benoemen

  • Je kunt een grafiek bij een lineaire formule tekenen 

Slide 32 - Slide