werkwoordelijk gezegde th1

werkwoordelijk gezegde
Doel: je leert wat een werkwoordelijk gezegde is.
1 / 13
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

werkwoordelijk gezegde
Doel: je leert wat een werkwoordelijk gezegde is.

Slide 1 - Slide

Wat weet je al van het werkwoordelijk gezegde?

Slide 2 - Open question

Werkwoordelijk gezegde
De persoonsvorm plus alle andere werkwoorden.
  1. Doe de tijdproef en zoek de persoonsvorm. 
  2. Zoek nu alle overige werkwoorden.
'Te ' hoort soms ook bij het werkwoordelijk gezegde.

Slide 3 - Slide

Voorbeeld
Lara en Rachelle hebben de docent om meer oefeningen gevraagd.
werkwoordelijk gezegde: hebben gevraagd

Slide 4 - Slide

Nog een voorbeeld
Tijdens de vierdaagse begon mijn teen te bloeden.
werkwoordelijk gezegde: begon te bloeden

Slide 5 - Slide

Even oefenen!
Ik wil morgen graag gaan hardlopen.
A
werkwoordelijk gezegde: wil
B
werkwoordelijk gezegde: wil gaan
C
werkwoordelijk gezegde: wil gaan hardlopen
D
werkwoordelijk gezegde: wil graag gaan hardlopen

Slide 6 - Quiz

Even oefenen!
Het meisje begon ineens te blozen.
A
werkwoordelijk gezegde: begon te blozen
B
werkwoordelijk gezegde: begon blozen
C
werkwoordelijk gezegde: blozen

Slide 7 - Quiz

Noteer het werkwoordelijk gezegde van de zin.
Kevin heeft zijn zusje een nieuwe pop beloofd.

Slide 8 - Open question

Noteer het werkwoordelijk gezegde van de zin.
We willen vanmiddag op het veldje gaan voetballen.

Slide 9 - Open question

Noteer het werkwoordelijk gezegde van de zin.
Het begon ineens hard te regenen.

Slide 10 - Open question

Let op! 
Soms staan er splitsbare/scheidbare werkwoorden in de zin. Deze horen bij het werkwoordelijk gezegde!
Voorbeeld: De man stak over op het zebrapad.
werkwoordelijk gezegde: stak over

Slide 11 - Slide

Noteer het werkwoordelijk gezegde van de zin.
De dief probeerde in te breken in dat oude huis.

Slide 12 - Open question

Aan de slag!
Maak nu opdr. 1 t/ m 4 op blz. 210/211

opdracht 4 in je schrift! De rest in je boek!

Slide 13 - Slide