Voorzetsels

Voorzetsels
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, havo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Voorzetsels

Slide 1 - Slide

achter
na
tot
om
gedurende
langs
onder
sinds
Het kooitje
De vakantie

Slide 2 - Drag question

Past: sinds, onder, langs, gedurende, om, tot, achter of na in beide rijtjes?

Slide 3 - Open question

Woordsoorten
  • Lidwoord (olw en blw)
  • Zelfstandig naamwoord
  • Bijvoeglijk naamwoord
  • Werkwoord
  • Voorzetsel





Grammatica - woordsoorten - voorzetsel

Slide 4 - Slide


Voorzetsel (VZ)



Grammatica - woordsoorten - voorzetsel
Een voorzetsel geeft vaak plaats, tijd of reden/oorzaak aan en staat vaak vóór een lidwoord of een voornaamwoord. 

  • plaats -> onder de stoel, op de fiets, achter onze deur

  • tijd -> over een kwartier, tijdens die lunch, vanaf 16 mei

  • reden/oorzaak -> door de toespraak, vanwege de regen, dankzij jouw hulp






Slide 5 - Slide


Voorzetsel (VZ)



Grammatica - woordsoorten - voorzetsel
Soms is een voorzetsel deel van een vaste combinatie.

  • door middel van

  • naar aanleiding van

  • met uitzondering van




Slide 6 - Slide


Voorzetsel (VZ)



Grammatica - woordsoorten - voorzetsel
Let op: delen van scheidbare werkwoorden noem je geen voorzetsel. Ze maken deel uit van het werkwoord (en je noemt ze bijwoord).

  • Hans kijkt mij aan. -> aankijken

  • Ik nodig je uit voor het feest. -> uitnodigen

  • Zinedine geeft nooit op. -> opgeven







Slide 7 - Slide


Ezelsbruggetje. Kijk of je het woord voor de kast of het feest kan zetten. Kan dat? Grote kans dat je met een voorzetsel te maken hebt!



Grammatica - woordsoorten - voorzetsel
  • op de kast
  • onder de kast
  • boven de kast
  • achter de kast
  • voor de kast
  • naast de kast
  • tijdens het feest
  • na het feest
  • gedurende het feest
  • voor het feest
  • dankzij het feest
  • vanwege het feest
Plaats
Tijd & reden/oorzaak

Slide 8 - Slide

Voorbeeld: plaats
- Henk kocht een nieuwe auto en zette hem gelijk in zijn garage.
De plaats is 'zijn garage'
dus in is het voorzetsel.
Dit is een plaatsaanduiding.

Slide 9 - Slide

Voorbeeld: reden
- Vanwege zijn griep kon hij niet naar school.
De reden is 'zijn griep'
dus vanwege is het voorzetsel.
Dit geeft namelijk een reden aan.

Slide 10 - Slide

Voorbeeld: oorzaak
- Door de harde wind had Rik moeite met naar school fietsen.
De oorzaak is 'de harde wind'
door is dus het voorzetsel.
Door is een voorzetsel voor een oorzaak.

Slide 11 - Slide

Welk voorzetsel past hier het best:
Hij zit op zijn mobiel ... het eten.
A
voor
B
tijdens
C
in
D
boven

Slide 12 - Quiz

... welke verdieping heb jij les?
A
in
B
naast
C
boven
D
op

Slide 13 - Quiz

De fiets staat ... de brommer
A
op
B
naast
C
boven
D
met

Slide 14 - Quiz

De spits ... FC Breukelen lag er gisteren weer uit.
A
op
B
tegen
C
van
D
achter

Slide 15 - Quiz

We gingen met zijn allen naar de bioscoop ... Utrecht.
A
in
B
op
C
bij
D
vanwege

Slide 16 - Quiz

Doe jij morgen mee ... die sponsorloop
A
tijdens
B
vanwege
C
in
D
met

Slide 17 - Quiz

Ik begrijp 'het voorzetsel' nu ...
😒🙁😐🙂😃

Slide 18 - Poll