Werkwoorden -re + avoir mal à (oefenen voor de toets U4 deel 1)

Werkwoorden die eindigen op -re
- répondre       =     antwoorden
- rendre             =    teruggeven
- entendre        =    horen
- perdre             =    verliezen
- vendre             =    verkopen
- attendre          =    wachten
- descendre      =    uitstappen, 
                                      naar beneden gaan
1 / 26
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Werkwoorden die eindigen op -re
- répondre       =     antwoorden
- rendre             =    teruggeven
- entendre        =    horen
- perdre             =    verliezen
- vendre             =    verkopen
- attendre          =    wachten
- descendre      =    uitstappen, 
                                      naar beneden gaan

Slide 1 - Slide

Werkwoorden -re
1. Stam van het werkwoord [ => -re]
2. Zet de juiste uitgang er achter
voorbeeld: attendre = wachten

uitgangen: s, s, -, ons,
           ez,ent

Slide 2 - Slide

Regelmatige werkwoorden 
op -re
Je
Tu
Il
Nous
Vous
Ils
s
s
-
ONS
EZ
ENT

Slide 3 - Drag question

Vertaal: horen
A
attendre
B
entendre
C
vendre
D
rendre

Slide 4 - Quiz

Vertaal: verkopen
A
rendre
B
perdre
C
attendre
D
vendre

Slide 5 - Quiz

Vertaal: antwoord geven
A
attendre
B
répondre
C
descendre
D
rendre

Slide 6 - Quiz

Vertaal: uitstappen
A
attendre
B
répondre
C
descendre
D
rendre

Slide 7 - Quiz

Vertaal: verliezen
A
rendre
B
perdre
C
attendre
D
vendre

Slide 8 - Quiz

jij verkoopt (vendre)
A
tu vends
B
tu vendre
C
il vend
D
tu as vendu

Slide 9 - Quiz

wij wachten (attendre)
A
vous attendez
B
nous attendons
C
nous attendions
D
ils attendent

Slide 10 - Quiz

hij antwoordt (répondre)
A
il répond
B
vous répondez
C
il réponds
D
ils répondent

Slide 11 - Quiz

vertaal: zij (m) horen (entendre)

Slide 12 - Open question



Chanson avoir 

Slide 13 - Slide

passé composé
werkwoord - er (chanter)

J'ai chanté
tu as chanté
il/elle a chanté
nous avons chanté
vous avez chanté
ils/elles ont chanté
passé composé
werkwoord -re (répondre)

J'ai répondu
tu as répondu
il/elle a répondu
nous avons répondu
vous avez répondu
ils/elles ont répondu

Slide 14 - Slide

ik heb gewacht (attendre)
A
je suis attendu
B
j'ai attendu
C
tu as attendu
D
j'ai attendre

Slide 15 - Quiz

wij hebben verloren (perdre)
A
vous avez perdu
B
ils ont perdu
C
nous avons perdu
D
nous sommes perdu

Slide 16 - Quiz

jij hebt verkocht
A
tu as perdu
B
tu a vendu
C
tu as vendu
D
tu as entendu

Slide 17 - Quiz

ik heb gehoord
A
j'ai entendu
B
j'ai perdu
C
il a attendu
D
nous avons entendu

Slide 18 - Quiz

hij heeft geantwoord

Slide 19 - Open question

 AVOIR MAL À + LIDWOORD
= pijn hebben aan ....

 zinnen NF + FN



blz. 11 onderaan          

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Vertaal: Ik heb pijn aan mijn neus.

Slide 22 - Open question

Vertaal: Ik heb oorpijn.

Slide 23 - Open question

Vertaal: Ik heb pijn aan mijn knie.

Slide 24 - Open question

Vertaal: Ik heb pijn aan mijn tanden.

Slide 25 - Open question

au travail!
Ga nu verder leren voor het proefwerk.

De leerstof is: 
blz. 36-37: 
- apprendres 1 + 3 FN + NF
- apprendres 2 en 4 FN 

blz. 11 onderaan AVOIR MAL À + LIDWOORD zinnen NF + FN

Slide 26 - Slide