H4 BE - Eenmanszaak - Beginbalans

Herhaling - De Beginbalans
1 / 11
next
Slide 1: Slide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Herhaling - De Beginbalans

Slide 1 - Slide

De investeringsbegroting geeft aan:
A
Wat een bedrijf moet verkopen om te starten
B
Wat een bedrijf moet aanschaffen om te starten
C
Welk gebouwen een bedrijf moet aanschaffen
D
Welke leningen een bedrijf moet aangaan

Slide 2 - Quiz

De financieringsbegroting geeft aan:
A
Hoeveel belasting een bedrijf moet betalen
B
Wat een bedrijf moet verkopen om te starten
C
Hoe een bedrijf aan het geld komt om spullen te kopen
D
Welke leningen een bedrijf uitgeeft

Slide 3 - Quiz

Welke stelling klopt NIET ?
A
Een balans is altijd in evenwicht
B
Een balans is een momentopname
C
Een balans heeft een debetzijde en een creditzijde
D
Een balans wordt altijd opgemaakt op 31 december

Slide 4 - Quiz

De balans bestaat uit de debet en de credit kant. Staat de debet kant links of rechts en wat wordt er bedoeld?
A
Links, de schulden van het bedrijf
B
Rechts, de schulden van het bedrijf
C
Rechts, de bezittingen van het bedrijf
D
Links. de bezittingen van het bedrijf

Slide 5 - Quiz

Wat is een debiteur ?
A
Iemand die nog betaald moet worden (schuldeiser)
B
Iemand waar een bedrijf nog geld van moet krijgen
C
Iemand die al betaald heeft gekregen van het bedrijf
D
Iemand die een lening heeft verstrekt

Slide 6 - Quiz

Wat is een crediteur ?
A
Iemand die nog betaald moet worden (schuldeiser)
B
Iemand waar een bedrijf nog geld van moet krijgen
C
Iemand die al betaald heeft gekregen van het bedrijf
D
Iemand die een lening heeft verstrekt

Slide 7 - Quiz

Debetzijde Balans
Creditzijde Balans
Banklening
Debiteuren
Gebouw
Eigen vermogen
Crediteuren
Vreemd vermogen

Slide 8 - Drag question

Onder welke categorie valt een debiteur?
A
Liquide middelen
B
Eigen vermogen
C
Vlottende activa
D
Vaste activa

Slide 9 - Quiz

Balans: Zet de activa onder de juiste categorie
Vaste activa
Vlottende activa
Liquide middelen
geld in kas
gebouw
banksaldo
inventaris
voorraad goederen

Slide 10 - Drag question

EIGEN VERMOGEN
VREEMD VERMOGEN KORT
VREEMD VERMOGEN LANG
WINST
BANKSCHULD
CREDITEUREN
LENING
HYPOTHEEK
AANDELEN
TE BETALEN BTW
VOORUITONTV

Slide 11 - Drag question