theorieles 2

Theorieles 2
Hoofdstuk 7: Kennis en vaardigheden
1 / 52
next
Slide 1: Slide
MentorlesMBOPraktijkonderwijsLeerjaar 2

This lesson contains 52 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 180 min

Items in this lesson

Theorieles 2
Hoofdstuk 7: Kennis en vaardigheden

Slide 1 - Slide

Eigen veiligheid
  • genoeg kennis, vaardigheden en inschattingsvermogen.
  • fysiek sterk en fit
  • passende reddingsmethode bedenken en toepassen
  • vaardigheden snel, rustig en effectief uitvoeren
  • juiste inschatting maken over de situatie, juiste beslissingen kunnen nemen
  • eigen veiligheid bewaken!
Wanneer het risico te groot is, wacht je tot er professionele hulp is en dan niet zelf actie ondernemen!

Slide 2 - Slide

Wat kunnen problemen zijn van mensen die te water zijn geraakt?

Slide 3 - Open question

Personen in nood en verdrinking
  • niet iedereen in nood schreeuwt om hulp.
  • personen kunnen niet of onvoldoende zwemmen, watervaardigheden of zwemcapaciteiten overschat of de risico's van het water onderschat. 
Voorbeelden: weinig ervaring met zwemmen, schaatser zakt door het ijs, stromingen, koud en kramp, alcohol en/of drugs, verwondingen of ziekte. 
  • slachtoffer bevindt zich vaak minder dan 10 meter van de kant. 
  • personen in nood en personen die aan het verdrinken zijn. 

Slide 4 - Slide

personen die verdrinken maken zich heel druk
A
waar
B
niet waar
C
tuurlijk, wat moet je anders doen.

Slide 5 - Quiz

personen die in nood zijn:
  • kunnen hun hoofd boven water houden.
  • hulp vragen en schreeuwen
  • kunnen zelf actie ondernemen
  • snelle actie is essentieel, vanwege paniek en vermoeidheid
personen die verdrinken:
  • problemen met ademhaling door gehele of gedeeltelijke onderdompeling.
  • levensgevaarlijke situatie.
  • strakke blik gericht op de kant.
  • mond net boven waterlijn
  • niet-waarneembare zwembewegingen
  • verdwijnen onderwater zonder enig geluid

Slide 6 - Slide

Herkennen van een persoon in nood. 
  1. kan op elk moment gebeuren.
  2. scherp op letten en preventief ingrijpen
  3. start meteen met hulpverlening 
  4. bij twijfel niet wachten maar reageren

Slide 7 - Slide

wat zijn voorbeelden van duidelijke noodgevallen?

Slide 8 - Open question

noodgevallen die duidelijk zijn:
  • roepen of schreeuwen
  • zwaaiende armen
  • struikelt en dan in het water valt
  • bloedend slachtoffer
  • kind op luchtbed met afgaande wind
  • boot op de kop 
noodgevallen die minder duidelijk zijn:
  • iemand die moeilijk kijkt naar slachtoffer op de kant
  • zwemmer met een moeilijke blik
  • zwemmer met steeds wisselende slag
  • zwemmer onder het wateroppervlak zweeft of op het water drijft.
  • zwemmer die met zijn hoofd op zijn armen rust bij de kant
  • kitesurfer waarvan de vlieger lang op het water drijft.
  • windsurfer die niet overeind komt

Slide 9 - Slide

het verdrinkingsproces 
Verdrinking is het ondervinden van ademhalingsstoornissen door gehele of gedeeltelijke onderdompeling in een vloeistof!
  • Bij een gedeeltelijke onderdompeling kan een drenkeling water inademen.
  • verdrinkingsproces heeft twee uitkomsten: overleven en overlijden. 
  • drenkeling gered, proces verdrinking onderbroken. 
  • niet fatale -> drenkeling blijft in leven.
    zonder medische complicaties of met medische complicaties.  
  • fatale verdrinking -> als drenkeling op enig moment sterft aan de gevolgen van verdrinking.
  • drang om ademhalen groot, dan water ingeademd, reflexreactie wordt hoesten. 
  • stembandkramp er kan tijdelijk worden voorkomen van water in de longen. 
  • uiteindelijk bewustzijn verlies, stoppen ademhaling en uiteindelijk stoppen hartslag. 
  • meestal in enkele minuten. 
  • ijswater snelle afkoeling hersenen en hart, waardoor alles langzamer verloopt en minder zuurstof verbruik. 

Slide 10 - Slide

Omstanders en hulpdiensten alarmeren
  • niet altijd eenvoudig om iemand te helpen. daarom hulp roepen. 
  • 112 bellen -> naam melder, plaats van ongeval, aard van ongeval, aantal slachtoffers, letsel. 
  • meldkamer beslist welk reddingsmateriaal ter plaatse komt. 
  • omstanders hulpdiensten opvangen
  • altijd vragen om terug te komen als je iemand weg stuurt
    Alarmeren is een van de belangrijkste dingen die een lifesaver moet (laten) doen bij het uitvoeren van een redding! 

Slide 11 - Slide

Voorbeelden van hulpmiddelen

Slide 12 - Mind map

hulp- en reddingsmiddelen
  • omstanders gebruiken meestal geen reddingsmiddelen. 
  • hulpmiddel -> voorwerpen die je kan gebruiken voor de redding maar die daar niet voor zijn gemaakt. 
  •  reddingsmiddel -> voorwerpen die speciaal gemaakt zijn om mensen te redden. 
  • bevrijdende reddingsmiddelen -> speciaal gemaakt om jezelf te bevrijden. noodhamer of veiligheidsset
  • ook voor je eigen veiligheid belangrijk

Slide 13 - Slide

Hoe zien reddingsmiddelen er vaak uit?
A
zwart en niet opvallend
B
paars, groen en blauw
C
oranje, geel of rood
D
rood, bruin, wit

Slide 14 - Quiz

om contact te maken met het slachtoffer
slachtoffer drijvend te houden
het slachtoffer drijvend te houden en contact te maken

Slide 15 - Drag question

Reddingsmethoden
  • droge redding -> niet het water in (voorkeur)
  • natte redding -> redder wel het water in, liefst met hulp of redmiddel. 
  • meerdere mensen op de kant. 
Geen enkele noodsituatie is hetzelfde en de keuzes in de uitvoering van een redding verschillen altijd!

Slide 16 - Slide

Wat zijn manieren om iemand naar de kant te krijgen?

Slide 17 - Open question

Naar de kant
  • roepen of wijzen -> eerste optie. gebruik een fluitje en handgebaren. duidelijke aanwijzingen. 
    De veiligste manier om een redding uit te voeren, is om iemand naar de kant te praten.  
  • hulp- of reddingsmiddel toesteken -> als iemand niet binnen handbereik is. slepen naar minder gevaarlijke plek. zorg dat je niet het water wordt ingetrokken. liefst op de kant liggen en omstander benen laten vast houden. 
  • hulp- of reddingsmiddel toegooien -> grote afstand en vermijdt direct contact met slachtoffer. als het alleen drijvend houdt, probeer naar de kant te praten. 

Slide 18 - Slide

Naar de kant 
  • redding met vaartuig -> grote afstanden, kan alleen als lifesaver of omstander zelf het vaartuig kan gebruiken.
  • zwemmende redding -> als droge redding geen optie is. alarmeer eerst de hulpdiensten. 
  •  boardredding -> vermoeide zwemmer, juiste vaardigheden. slachtoffer over het board, kan ook met meerdere slachtoffers of bewusteloos persoon
  • rescueboards -> hogere branding, handvaten aan het bord, juiste vaardigheden
  • reddingsvest -> voorzichtig het water in, geschikte vervoersgreep, wachten of terugzwemmen
  • vervoersgrepen -> moeilijkste en meest risicovol, als laatste optie

Slide 19 - Slide

aandachtspunten gooien
van hulp- of reddingsmiddel

Slide 20 - Mind map

aandachtspunten toegooien
  • lijn vasthouden -> om je hand binden
  • houding -> een been voor, het omgekeerde dan de gooi hand, wijzen naar waar je wilt gooien. 
  • gooien -> vertellen dat je gooit. onderhands. vertellen dat het moet worden vastgepakt, probeer over het slachtoffer heen. 
  • op de lijn staan -> na het gooien op het uiteinde gaan staan. 
  • binnenhalen -> hand een slag draaien. slachtoffer bijna bij de kant arm uitsteken. pols vastpakken.  

Slide 21 - Slide

Wat is de juiste volgorde van een natte redding
A
kleren verwijderen, bellen, het water in, stevig laten vast pakken, terug zwemmen
B
het water in, bellen , terug zwemmen, kleren uit.
C
Bellen, roepen, kleren verwijderen, defensief benaderen, samen terug zwemmen
D
bellen, roepen, kleren verwijderen, het water in, defensief benaderen, samen terug zwemmen.

Slide 22 - Quiz

kleding verwijderen 
  • afwegen tegen de tijd om bij het slachtoffer te komen.
  • omgevingsfactoren 
  • schoenen wel of niet uit?
  • lichte zomerkleding wel of niet uit?
  • zware kleding wel of niet uit?
  • laagjes kleding wel of niet uit?
  • sommige kledingstukken gebruiken als hulpmiddel
  • als je uit het water komt, kleren aan of kleren uit?  

Slide 23 - Slide

Defensief benaderen slachtoffer
  • observatie slachtoffer 
  • ogen op slachtoffer houden
  • blijven praten
  • uitvragen en vertellen wat er gebeurt 
  • defensief benaderen -> blijf op je rug liggen met een been richting het slachtoffer. 
  • niet bij kennis -> aantikken  

Slide 24 - Slide

Redding met een hulp- of reddingsmiddel 
  • bij bewustzijn
  • samen terug zwemmen 
  • slepen of duwen 
  • aanwijzingen geven 

Slide 25 - Slide

wat is geen voordeel van een rescutube
A
meerdere slachtoffers meenemen of drijvend houden
B
slachtoffer geruststellen
C
geen lichamelijk contact met slachtoffer
D
er zijn geen nadelen aan een rescutube

Slide 26 - Quiz

Redding met een rescuetube
  • redding met rescubetube
  • bewusteloos slachtoffer
  • redding met twee redders 

Slide 27 - Slide

Welke vervoersgrepen zijn er?

Slide 28 - Mind map

vervoersgrepen 
let altijd op je eigen veiligheid. maak nooit contact met agressief slachtoffer of wanneer deze in paniek is. benader een slachtoffer altijd defensief en wacht tot het slachtoffer rustig, uitgeput of bewusteloos is!
  • mond en gezicht boven water houden.
  • zo horizontaal mogelijk houden
  • vrijheid voor zwembewegingen 
  • veiligheid
  • zicht op de omgeving
  • niet te veel energie vragen
  • snelle ontsnapping als slachtoffer onrustig wordt
  • blijven communiceren

Slide 29 - Slide

triangelgreep
  • vermoeide zwemmer
  • langere afstand
  • rustige weers- en wateromstandigheden
  1. op de rug armen gestrekt 
  2. vast aan de pols
  3. sleeparm volledig gestrekt
  4. in één lijn met het slachtoffer
  5. zeemansslag 

Slide 30 - Slide

zeemansgreep 
  • onrustiger weers en/of wateromstandigheden
  • bewusteloos slachtoffer
  • geruststelling te bieden
  1. om de borst, onder de oksels door
  2. zijkant ondersteunt het slachtoffer
  3. zeemansslag  

Slide 31 - Slide

okselgreep 
  • rustig of bewusteloos slachtoffer
  • zonder hoofd of wervelletsel
  • rustige weers- en wateromstandigheden
  1. licht gebogen armen 
  2. beide oksels 
  3. enkelvoudige rugslag 

Slide 32 - Slide

kopgreep 
  • rustig of bewusteloos slachtoffer
  • zonder hoofd of wervelletsel 
  1. handen over de oren, vingers richting de haarkruin, in kommetjes 
  2. armen gebogen onder de rug 
  3. aangepaste enkelvoudige rugslag  

Slide 33 - Slide

polsgreep 
  • onrustig slachtoffer
  1. tussen het lichaam en arm door
  2. pols dicht bij de hand pakken
  3. gelijke hoogte
  4. aangepaste enkelvoudige rugslag  

Slide 34 - Slide

schoudergreep 
  • onrustig slachtoffer 
  1. armen tussen het lichaam 
  2. schouders pakken 
  3. ellebogen zo ver mogelijk uit elkaar
  4. aangepaste enkelvoudige rugslag 

Slide 35 - Slide

houdgreep 
  • volgt uit dubbele polsgreep
  • slachtoffer heeft redder vast
  1. na het uitvoeren dubbele polsgreep vast in houdgreep
  2. vrije arm gebruiken  

Slide 36 - Slide

Welke bevrijdingsgrepen zijn er?

Slide 37 - Mind map

Bevrijdingsgrepen 
  • kan nodig zijn ondanks de voorzichtigheid en voorzorgsmaatregelen.
  • geen reddingsmethode
  1. als je toch wordt vastgepakt, laat het hulp of reddingsmiddel los of laat het slachtoffer los. 
  2. creëer afstand
  3. defensief benaderen
  4. stel gerust 
  5. alleen door gaan als het veilig is. 
  • snelle bevrijding -> op het moment van vast pakken, maar nog niet stevig vast gepakt
  • bevrijdingsgreep -> klemvast door het slachtoffer
wanneer het slachtoffer je toch vastpakt en je niet loskomt, kun je een bevrijdingsgreep  toepassen om los te komen. wanneer je jezelf bevrijd hebt, bekijk je altijd wat de meest passende en veilige manier is om terug naar de kant te gaan. denk hierbij eerst aan je eigen veiligheid!

Slide 38 - Slide

dubbele polsgreep 
  • aan één of beide polsen vastgegrepen
  1. in een ruk naar beneden -> snelle bevrijding 
  2. de pols pakken, duim aan de binnenzijde 
  3. hand door draaien naar het midden 
  4.  andere arm strekken richting het borst 
  5. snelle cirkelbeweging boven water tot boven je schouder
  6. onder de oksel door. 
  7. veilige en passende manier bedenken om terug te zwemmen.

Slide 39 - Slide

voorwaartse omklemming 
  • van voren met twee armen wordt vastgepakt
  1. onder de ellebogen vast pakken en jezelf naar onderen duwen -> snelle bevrijding 
  2. linkerhand zo ver mogelijk om het lichaam heen en op de rug vast pakken. 
  3. rechterarm over de linkerarm van het slachtoffer en hand dwars over de mond, tegen de neus, pink tegen het neusbotje.
  4. slachtoffer van je af duwen en naar beneden duiken.
  5. met linkerhand slachtoffer trekken 
  6. met haak slachtoffer opvangen
  7. veilige en passende manier bedenken om terug te zwemmen 

Slide 40 - Slide

achterwaartse omklemming
  • van achteren met twee armen worden vastgepakt 
  1. pak de ellebogen en duik naar beneden -> snelle bevrijding
  2. pak met beide handen de onderliggende arm. 
  3. pak met de ene hand de pols en met de andere hand de elleboog en draai je hoofd.
  4. trek gelijktijdig je arm bij de pols naar beneden en de andere omhoog. 
  5. achter het slachtoffer laat je de elleboog los en pak je de losgekomen pols. 
  6. veilig en passende manier bedenken om terug te zwemmen.  

Slide 41 - Slide

personen onder water
  • onder water ziet verdwijnen 
  • vaak moeilijk in open water
  • brandweer met duikteam
Lifesavers zoeken nooit zelf onder water naar slachtoffers waar ze geen zicht op hebben of die ze niet zelf voor hun ogen onder water hebben zien zakken! Onder water zoeken in diep open water is een groot risico voor de eigen veiligheid. Alarmeer de hulpdiensten, maak een kruispeling en geef alle beschikbare informatie door aan de meldkamer. Wacht de aankomst van de brandweer )het duikteam', lifeguards of de KNRM af en geef aanwijzingen waar de persoon onder water is verdwenen!

Slide 42 - Slide

kruispeiling maken 
  • locatie bepalen
  • stromend water heeft geen zin
  • eerst een persoon, niet meer verplaatsen 
  • tweede persoon zoveel mogelijk dwars. 
  • op de kruising is het slachtoffer 

Slide 43 - Slide

ondiep water afzoeken 
  • omstanders vragen
  1. in één keer afgezocht -> over de hele breedte
    de langste mensen het diepste. 
  2. in twee keer afgezocht -> zeer breed of te
    weinig mensen dan in twee keer afzoeken,
    eerst het diepe. 
  3. over de breedte -> lengte geen rol, begin
    bij de kant, tot het te diep wordt, keren. 

Slide 44 - Slide

een slachtoffer uit het water halen
  • let op je eigen veiligheid, een slachtoffer is zwaar. 
  • hangt af van de situatie
  • onderkoeld -> horizontaal
  • buiten kennis -> snel en veilig 
  • transportgrepen -> kust of plas 

Slide 45 - Slide

welke manieren zijn er om iemand op de kant te krijgen?

Slide 46 - Open question

voetje 
  • op de kant liggend -> armen gesterkt als op stapje, niet tillen!
  • met hand de kant vasthouden -> 1 hand kommetje andere vast houden kant, arm gestrekt, niet tillen!
  • watertrappend opzij of erachter -> armen gestrekt, kommetje, niet tillen! onder water verdwijnen. 

Slide 47 - Slide

  • meer lifesavers, schephouding -> kant te hoog een op de grond, andere duwt de benen naar benden. slachtoffer naar de kant en daar allebei een arm en pols pakken, één knie op de grond en andere gebogen en platte voet op de grond, gaan staan en recht omhoog tillen, tot het slachtoffer kan zitten op de kant. 
  • horizontaal -> ernstig onderkoeld, wervelletsel, wervelplank of schepbrancard of kuipbrancard,1 hoofd en nek vast (heeft de leiding), 2 onderrug en heup, 3 knieën en voeten, op aanwijzing eruit tillen, omgevingsmaterialen gebruiken. 
Dit is een risicovolle handeling. Wacht bij voorkeur op professionele hulpverleners die aanwijzingen geven!

Slide 48 - Slide

transportgrepen  
  • Rautekgreep -> korte afstand, slepen uit risicozone, buiten bewustzijn.
  • ondersteunend vervoer -> grotendeels zelfstandig, laten ondersteunen. 
  • stoeltjes greep -> met 2 lifesavers, dragen van slachtoffer, elkaars armen vastpakken en opvangen. 

Slide 49 - Slide

op de kant liggend
met de hand de kant vasthouden
watertrappend erachter of ernaast
tillen met twee
horizontaal
Rautekgreep
ondersteunen 
stoeltjesgreep

Slide 50 - Drag question

werkcirkels 
  • te veel mensen door elkaar.
  • rood-wit lint of reddingslijn of omstanders
  • omstanders kunnen meekijken en zich ermee bemoeien.
Wijs eventueel een omstander aan om de hulpdiensten op te vangen. Maak hiervoor afspraken met de meldkamer en vermeld een handige locatie voor de opvang van de hulpdiensten en/of overdracht van het slachtoffer! 

Slide 51 - Slide

overdracht slachtoffer
  • hulpdiensten zijn gearriveerd.  
  • hulpdiensten nemen het slachtoffer over
  • vragen over het slachtoffer
  • wat is er gebeurd en wat je hebt gezien en wat je hebt gedaan. 
  • zoveel mogelijk informatie doorgeven. hoe meer informatie hoe beter. 

Slide 52 - Slide