examenvoorbereiding ORGANEN EN CELLEN & voortplanting

Th 1 Ordening en TH 2 Voortplanting


Th1: Organen en Cellen
1 / 41
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Th 1 Ordening en TH 2 Voortplanting


Th1: Organen en Cellen

Slide 1 - Slide

6 levensverschijnselen
  • Een Organisme is een levend wezen. Alle levende wezens vertonen de volgende levensverschijnselen:
  • ademhalen                                  
  • voeden                                                                                  STOFWISSELING
  • uitscheiden
  • groeien
  • ontwikkelen
  • voortplanten
  • bewegen 
  • reageren op prikkels 

Slide 2 - Slide

Groei: Het groter en zwaarder worden van een organisme
Ontwikkeling: verandering in de bouw van een organisme

Slide 3 - Slide

§ 2 De bouw van een organisme

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Bij welk orgaanstelsel horen de hersenen?
A
het bloedvatenstelsel
B
het verteringsstelsel
C
het zenuwstelsel
D
het ademhalingsstelsel

Slide 7 - Quiz

Welke cel onderdelen hebben plantaardige cellen en dierlijke cellen beide?
A
Alleen een celkern
B
celkern en cytoplasma
C
celkern, cytoplasma en celmembraan
D
celkern, cytoplasma, celmembraan, celwand

Slide 8 - Quiz

Een tomaat die rijp wordt verandert van kleur,
eerst is de tomaat groen en dan wordt hij rood.
Wat gebeurt er tijdens het rijpen?
A
groene kleurstofkorrels veranderen in rode kleurstofkorrels
B
Er worden rode kleurstofkorrels gemaakt
C
bladgroenkorrels worden afgebroken
D
bladgroenkorrels veranderen in rode kleurstofkorrels

Slide 9 - Quiz

chromosomen
In de celkern liggen chromosomen.

Chromosomen zijn opgebouwd uit een eiwit en DNA.

DNA bevat de informatie voor je erfelijke eigenschappen. 

Slide 10 - Slide

Samenvatting 
  • Dit is een chromosomenportret
  • Mensen hebben 23 paren chromosomen.
  • Total 46 chromosomen.
  • Behalve de Y en X chromosomen zijn de paren gelijk aan elkaar.

Slide 11 - Slide

MITOSE = gewone celdeling

Slide 12 - Slide

Geslachtscellen en cellen

In een eicel zitten 23 chromosomen. Door MEIOSE
In een zaadcel zitten 23 chromosomen. Door MEIOSE

Eicel + zaadcel = een bevruchte cel met 46 chromosomen.

Die bevruchte cel groeit door: MITOSE , GEWONDE CELDELING!
( ELKE CEL DEZLEFDE CHROMOSOMEN  DMV KOPIEREN)




Slide 13 - Slide

Aan het einde van mitose heb je:
A
2 genetisch identieke dochtercellen
B
4 genetisch identieke dochtercellen
C
2 genetisch verschillende dochtercellen
D
4 genetisch verschillende dochtercellen

Slide 14 - Quiz

Het X-chromosoom en Y-chromosoom zijn
A
Geslachtschromosomen
B
Geslachtscellen

Slide 15 - Quiz

Dit zijn de
chromosomen
van een...
A
Man
B
Vrouw

Slide 16 - Quiz

Wat is hier de goede volgorde tijdens de mitose?
A
5-6-7-8
B
6-8-5-7
C
6-5-8-7
D
7-5-8-6

Slide 17 - Quiz

Wat is een ander woord voor meiose?
Wat ontstaat bij meiose?
A
Gewone celdeling, er ontstaan gewone cellen
B
Gewone celdeling, er ontstaan eicellen en zaadcellen
C
Reductiedeling, er ontstaan gewone cellen
D
Reductiedeling, er ontstaan eicellen en zaadcellen

Slide 18 - Quiz

VOORTPLANTING 
MENSTUATIECYCLUS / MEIOSE

Slide 19 - Slide

Geslachtsorganen van de man en vrouw 

Slide 20 - Slide

Geslachtsorganen man en vrouw

Slide 21 - Slide

Gele lichaam (overblijfsel follikel)
onthoud die naam voor de menstruatiecyclus

Slide 22 - Slide

Welke volgorde is juist?
A
Follikel rijpt > laat eicel los > gele lichaam blijft over
B
Eicel rijpt > laat follikel los > gele lichaam blijft over
C
Gele lichaam rijpt > laat eicel los > follikel blijft over
D
Eicel rijpt > laat gele lichaam los > follikel blijft over

Slide 23 - Quiz

Menstruatiecyclus met follikelrijping 
(als er geen bevruchting plaatsvindt)

Slide 24 - Slide

Het gele lichaam is de lege follikel na de eisprong
A
Juist
B
Onjuist

Slide 25 - Quiz


In de afbeelding  zie je de rijping van een follikel en de ontwikkeling daarna. 
Welke fasen worden voorgesteld door de nummers 1, 2 en 3?
A
1 = ovulatie 2= gele lichaam 3= rijping follikel
B
1 = rijping follikel 2 = gele lichaam 3 = ovulatie
C
1 = rijping follikel 2 = ovulatie 3 = gele lichaam
D
1= gele lichaam 2 = ovulatie 3 = rijping follikel

Slide 26 - Quiz

Welk onderdeel hield het baarmoederslijmvlies instant
A
Eierstok
B
Eicel
C
Follikel
D
Gele lichaam

Slide 27 - Quiz

Menstruatiecyclus - proces in eierstok
                                       1 follikel rijpt    -        follikel groeit    -   ovulatie -   gele lichaam ontstaat en sterft af -               nieuwe follikel

Slide 28 - Slide

Primaire geslachtskenmerken
Secundaire geslachtskenmerken
vagina
schaamlippen
penis
balzak
groei lichaamshaar
borstgroei
groei spieren
productie geslachtscellen
snelle groei

Slide 29 - Drag question

Zaadleider
Urineblaas
Zaadblaasje
Prostaat
Zwellichaam
Penis
Bijbal
Zaadbal
Balzak
Urinebuis
Eikel
Voorhuid

Slide 30 - Drag question

Waar in het vrouwelijk geslachtsorgaan kan het eitje worden bevrucht door een zaadcel?
A
eierstok
B
eileider
C
baarmoeder
D
zaadleider

Slide 31 - Quiz

Een vrouw heeft zich laten steriliseren. Vinden bij deze vrouw nog menstruatie plaats? En ovulatie?
A
Wel menstruatie en geen ovulatie
B
alleen ovulatie en geen menstruatie
C
zowel menstruatie als ovulatie
D
zowel geen menstruatie als geen ovulatie meer

Slide 32 - Quiz

1. Waar in het lichaam van de vrouw vindt de bevruchting van de eicel plaats? 2. En waar vindt de innesteling plaats?
A
1. eierstok 2. eileider
B
1. eierstok 2. baarmoeder
C
1. eileider 2. baarmoeder
D
1. baarmoeder 2. baarmoeder

Slide 33 - Quiz

Mannelijke geslachtskenmerken ontwikkelen onder invloed van het hormoon...
A
Testosteron
B
Oestrogeen
C
Thyroxine
D
Adrenaline

Slide 34 - Quiz

Door welk hormoon ontstaan vrouwelijke secundaire geslachtskenmerken?
A
Hypofyse
B
Testosteron
C
Adrenaline
D
Oestrogeen

Slide 35 - Quiz

de hormonen die zorgen voor secundaire geslachtskenmerken
A
testosteron en adrenaline
B
oestrogeen en insuline
C
hypofysehormoon
D
testosteron en oestrogeen

Slide 36 - Quiz

In welk onderdeel worden de geslachtshormonen gemaakt bij de vrouw?
A
Baarmoeder
B
Vagina
C
Eierstok
D
Eileider

Slide 37 - Quiz

In welk onderdeel worden de geslachtshormonen gemaakt bij de man?
A
Teelbal
B
Prostaat
C
Bijbal
D
Zaadblaasje

Slide 38 - Quiz

Waar vindt meiose plaats?
A
P
B
Q
C
R
D
S

Slide 39 - Quiz

Waar vindt meiose plaats in het lichaam van de man?

A
In de zaadblaasjes
B
In de bijballen
C
In de teelballen
D
in de balzak

Slide 40 - Quiz

Waar vindt mitose/meiose plaats in het lichaam?
In de spieren / in de zaadballen?
A
mitose / teelballen meiose / spieren
B
mitose/spieren meiose /teelballen

Slide 41 - Quiz