BK1A Fictie paragraaf 1 en Woorden van de week

Welkom

1. Ga zitten volgens de plattegrond en blijf zitten tijdens de les.
Nederlands
2. Op je tafel liggen:
Leesboek, Lesboek, Schrift en je Pen.
3. Als de docent praat ben je stil.
Luister naar elkaar.
4. We houden het lokaal netjes.
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, mavoLeerjaar 1

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min

Items in this lesson

Welkom

1. Ga zitten volgens de plattegrond en blijf zitten tijdens de les.
Nederlands
2. Op je tafel liggen:
Leesboek, Lesboek, Schrift en je Pen.
3. Als de docent praat ben je stil.
Luister naar elkaar.
4. We houden het lokaal netjes.

Slide 1 - Slide

Planning vandaag 31 maart 2025
  1. Woorden van de Week;
  2. Terugblik vorige week Lingeweek;
  3. Leesmoment;
  4. Uitleg § 1 Fictie en non-fictie;
  5. Zelfstandig opdrachten maken;
  6. Opdrachten nakijken;
  7. Evaluatie op de leerdoelen/lesdoelen.

Slide 2 - Slide

Aantekeningen maken

Slide 3 - Slide

Lesdoelen en leerdoelen 
✅ Ik ken en gebruik de woorden van de week;
✅ Ik kan een woordenlijst maken; 
✅ Ik kan een kort verslag foutloos schrijven;
✅ Ik weet wat fictie en non-fictie is.



 

Slide 4 - Slide

Woorden van de week
Wat betekent dit woord? Kun je er een zin mee maken?
🗣 Bewering
📝 Bezighouden met (zich)
🏠 Bezitten
📖 Bladzij
Schrijf het op in je schrift en verzamel alle woorden van de week en de betekenissen. 
timer
2:00

Slide 5 - Slide

Uitleg en voorbeeldzinnen
🗣 Bewering
Een bewering is iets dat iemand zegt, maar waarvan je moet nagaan of het waar is.

🔹 Voorbeelden:

"Honden zijn slimmer dan katten."

"Volgens Johan wordt het morgen warm."

👉 Tip: Vraag jezelf af: Is dit echt bewezen? Zo niet, dan is het een bewering!

Slide 6 - Slide

Uitleg en voorbeeldzinnen
📝 Bezighouden met (zich)
Zich bezighouden met betekent dat je ergens mee bezig bent.

🔹 Voorbeelden:

"Ik houd me bezig met mijn huiswerk."

"Zij houdt zich bezig met de organisatie van het schoolfeest."

👉 Tip: Je kunt vaak vragen: Waar ben jij mee bezig?

Slide 7 - Slide

Uitleg en voorbeeldzinnen
🏠 Bezitten

✅ Betekenis: Iets hebben, iets in je eigendom hebben.

🔹 Voorbeeldzin: "Mila bezit een mooie fiets."

Slide 8 - Slide

Uitleg en voorbeeldzinnen
📖 Bladzij

✅ Betekenis: Een bladzijde van een boek of schrift.

🔹 Voorbeeldzin: "Lees bladzij 12 uit je lesboek."

Slide 9 - Slide

Opdracht: Verslag Lingeweek
📌 Opdracht (5-10 min):
Schrijf een kort verslag (7-9 zinnen) over de Lingeweek. Gebruik hierin de woorden "bewering" en "bezighouden met" in je tekst.
✍ Voorbeeldzinnen:
  • "Tijdens de Lingeweek hielden we ons bezig met Globaland."
  • "Sommige leerlingen beweerden dat Den Haag de leukste stad ooit was."
💡  Tip: Schrijf over wat je hebt gedaan.
Vertel iets over een activiteit of een leuke ervaring.
Schrijf iets wat iemand heeft gezegd.✅ Klaar? Begin dan met lezen.
timer
7:00

Slide 10 - Slide

Vragen/opmerkingen/aanvullingen over de opdrachten?
Lever na de les jouw verslag in.

Slide 11 - Slide

timer
10:00
10 minuten in stilte zelfstandig lezen.

1

Slide 12 - Slide

Aantekeningen maken

Slide 13 - Slide

Fictie en non-fictie 

Een schrijver kan een verzonnen verhaal vertellen. Deze verhalen noem je fictie.

Sprookjes, leesboeken, stripverhalen, films, soaps en gedichten zijn voorbeelden van fictie.

Slide 14 - Slide

Non-fictie 

Een schrijver kan ook schrijven over dingen die echt gebeurd zijn. Deze verhalen noem je non-fictie.

Nieuwsberichten, reisverslagen, een recept, een informatief boek, het journaal, een documentaire of een reality-programma zijn voorbeelden van non-fictie

Slide 15 - Slide

Realistisch/ niet-realistisch 
Fictie die 'net echt' is, noemen we realistisch. Fictie die niet waar kan zijn, noemen we niet-realistisch. Sprookjes en fantasy zijn voorbeelden van niet-realistische verhalen.

Slide 16 - Slide


Is dit fictie of non-fictie?
A
fictie
B
non fictie

Slide 17 - Quiz


Fictie of non-fictie?
A
Fictie
B
Non-fictie

Slide 18 - Quiz

Open je boek op blz. 58-59
De komende tijd werken we aan deze cursus aan paragraaf 1 t/m 4.
We starten met opdracht 1 op blz. 60.

Slide 19 - Slide

Lees📖
Lees de teksten en de opdrachten goed.
Maak✏️
Maak van Cursus 3 Fictie en non-fictie paragraaf 1 opdracht 1 t/m 7 blz. 58 t/m 66.
Hoe💬
In je eigen leerboek/schrift, je mag fluisterend overleggen met je schoudermaatje en vragen stellen aan je docent.
Tijd⏳
Tot 5 minuten voor het einde van het lesuur.
Klaar?✅
1.  Laat je werk zien aan de docent;
2.Schrijf in je schrift op wat voor fictie en non-fictie jij kent.

Leerdoel🎯 
1. Ik weet wat fictie en non-fictie is.
timer
15:00

Slide 20 - Slide

Wat hebben we geleerd? 
Ik kan het verschil uitleggen tussen fictie en non-fictie.
Ik kan voorbeelden geven van fictie en non-fictie.
Ik kan een fictiewerk kiezen dat past bij mijn interesse.
Ik kan mijn mening geven over personen en/of gebeurtenissen in een boek.

Slide 21 - Slide

Evaluatie
  • Wat heb je geleerd deze lessen?
  • Wat ging er goed?
  • Wat kan beter?

Slide 22 - Slide

Tot de volgende les!

Slide 23 - Slide

Fictie
Fictie
Fictie
Non-fictie
Non-fictie
Non-fictie

Slide 24 - Drag question