Vraag en Aanbod (4e) H2. Elasticiteiten

13. Op de markt voor een product zijn de vraag- en aanbodfunctie gegeven.
Qv = -2P + 750 (Q is de hoeveelheid × 1 miljoen kg.)
Qa = 3P – 250 (P is de prijs in eurocenten per kg.)

Bereken de evenwichtshoeveelheid.
A
200 miljoen kg.
B
350 miljoen kg.
C
702 miljoen kg.
D
890 miljoen kg.
1 / 68
next
Slide 1: Quiz
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 68 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

13. Op de markt voor een product zijn de vraag- en aanbodfunctie gegeven.
Qv = -2P + 750 (Q is de hoeveelheid × 1 miljoen kg.)
Qa = 3P – 250 (P is de prijs in eurocenten per kg.)

Bereken de evenwichtshoeveelheid.
A
200 miljoen kg.
B
350 miljoen kg.
C
702 miljoen kg.
D
890 miljoen kg.

Slide 1 - Quiz

17. Op de markt voor een grondstof zijn de vraag- en aanbodfunctie gegeven.
Qv = -P + 900 (Q is de hoeveelheid × 1 miljoen kg.)
Qa = 3P – 100 (P is de prijs in eurocenten per kg.)

Bereken het verschil tussen de maximale betalingsbereidheid en de minimale leveringsbereidheid.
A
€ 2
B
€ 8
C
€ 8,67
D
€ 3,75

Slide 2 - Quiz

20. Op de markt voor een product gelden de volgende vraag- en aanbodfunctie:
Qv = -1/2 P + 50 (Q is de hoeveelheid in stuks)
Qa = 3/4 P – 40 (P is de prijs in euro’s per stuk)

Bij een prijs van € 60 ...
A
is er een aanbodoverschot van 15.
B
bedraagt de omzet € 1.200.
C
is er een vraagoverschot van 15.
D
bedraagt de omzet € 1.008.

Slide 3 - Quiz

25. De vraaglijn van een product verschuift in een jaar evenwijdig naar rechts.

Een mogelijke oorzaak van deze verschuiving is ...
A
een hogere prijs van het product zelf.
B
een inkomensstijging bij de consumenten.
C
een prijsdaling van substitutiegoederen.
D
een afname van de behoefte aan dit product.

Slide 4 - Quiz

27. De vraaglijn van een product verschuift in een jaar evenwijdig naar links.

Twee mogelijke oorzaken van deze verschuiving zijn:
1. Een prijsdaling van het goed zelf.
2. Een prijsdaling bij een substitutiegoed.
A
beide oorzaken zijn mogelijk
B
alleen oorzaak 1 is mogelijk
C
alleen oorzaak 2 is mogelijk
D
geen van beide oorzaken is mogelijk

Slide 5 - Quiz

29. De aanbodlijn van een product verschuift in een jaar evenwijdig naar rechts.

Een mogelijke oorzaak van deze verschuiving is ...
A
een hogere prijs van het product zelf
B
een inkomensstijging bij de vragers van het product
C
een prijsdaling van substitutiegoederen
D
een afname van de productiekosten per stuk

Slide 6 - Quiz

30. De vraaglijn van een product verschuift in een jaar evenwijdig naar links.

Een mogelijke oorzaak van deze verschuiving is ...
A
een prijsstijging van een complementair goed.
B
een inkomensstijging bij de vragers.
C
een daling van de grondstofprijzen voor de producenten.
D
een afname van het aantal producenten.

Slide 7 - Quiz

39. Als de aanbodlijn evenwijdig naar links verschuift, terwijl de vraaglijn evenwijdig naar rechts verschuift, zal zeker ...
A
de evenwichtsprijs stijgen.
B
de evenwichtsprijs dalen.
C
de verkochte hoeveelheid stijgen.
D
de verkochte hoeveelheid dalen.

Slide 8 - Quiz

43. Een evenwijdige verschuiving van de aanbodlijn naar rechts kan zijn veroorzaakt door ...
A
het faillissement van enkele aanbieders.
B
een toename van de productiekosten.
C
een toename van het aantal aanbieders.
D
een toename van het aantal vragers.

Slide 9 - Quiz

Week 39 (vanaf 21 september 2026) 
Hoofdstuk 2. Elasticiteiten
  • actualiteit (Duur gas en dure stroom werken steeds meer door in energierekening)
  • leerdoelen (prijselasticiteit van de vraag)
  • instructie (prijselasticiteit van de vraag)
  • weektaak: 2.1 t/m 2.12

Slide 10 - Slide

Leerdoelen H2. Elasticiteiten
  • Ik kan de 9 begrippen op pagina 39 omschrijven (zie LWEO). 
  • Ik kan het vraaggedrag van consumenten bij prijsveranderingen aantonen.
  • Ik kan de prijselasticiteit van de vraag berekenen en interpreteren.
  • Ik kan afleiden of er sprake is van een prijselastische vraag of een prijsinelastische vraag.
  • Ik kan het verband analyseren tussen prijsveranderingen, de prijselasticiteit en de omzet.
  • Ik kan verbanden leggen tussen procentuele veranderingen van omzet, prijs en afzet en er mee kunnen rekenen met behulp van indexcijfers.
  • Ik kan uitleggen dat de mate waarin de vraag reageert op prijsveranderingen bepaald wordt door de aanwezigheid van substitutiegoederen, de termijn en het soort goed.
  • Ik kan het verband uitleggen tussen de steilheid van de vraaglijn en de hoogte van de prijselasticiteit van de vraag.


























Slide 11 - Slide

Elasticiteiten
Een elasticiteit is een vermenigvuldigingsgetal dat aangeeft hoe sterk de relatie tussen twee relatieve veranderingen is. 

Met een elasticiteit kun je bijvoorbeeld met
één getal beschrijven hoe sterk de vraag
reageert op een prijsverandering. We
gaan 3 elasticiteiten behandelen:
  1. prijselasticiteit (deze les)
  2. kruislingse elasticiteit (volgende les)
  3. inkomenselasticiteit (volgende les)


Slide 12 - Slide

Prijselasticiteit van de vraag (Ev)

Slide 13 - Slide

Prijselasticiteit van de vraag (Ev)


Ev = %Δq / %Δp
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
PrijsElasticiteitVanDeVraag(Ev)=​ProcentueleVeranderingPrijs​​ProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheid​​

Slide 14 - Slide

Oefening (Ev)
Stel, de prijs daalt met 10% en de vraag stijgt vervolgens met 25%.
Is de vraag elastisch of inelastisch?
  • de vraag stijgt procentueel meer dan de prijs procentueel daalt
  • de vraag reageert relatief sterk op de prijsverandering, dus een elastische vraag
  • Ev = %Δq / %Δp  = 25% / -10% = -2.5
  • teller is groter dan de noemer, relatief elastische vraag als Ev < -1 


Slide 15 - Slide

Prijselasticiteit en omzet
TO = Totale Opbrengst = Omzet = p x q
volkomen inelastische vraag

relatief inelastische vraag



relatief elastische vraag
IndexCijferOmzet=​100​​IndexCijferPrijs⋅IndexCijferAfzet​​

Slide 16 - Slide

Prijselasticiteit en omzet
1. De Ev = -0,3 (inelastisch) en de prijs stijgt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid daalt dan 3%, want Ev = -0,3 = -3% / 10% 
  • de omzet stijgt met 6,7%, want omzet (indexcijfer) = (110 x 97) / 100 = 106,7

2. De Ev = -0,3 (inelastisch) en de prijs daalt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid stijgt dan 3%, want Ev = -0,3 = 3% / -10%
  • de omzet daalt met 7,3%, want omzet (indexcijfer) = (90 x 103) / 100 = 92,7

Ev = %ΔQv / %ΔP
IndexCijferOmzet=​100​​IndexCijferPrijs⋅IndexCijferAfzet​​

Slide 17 - Slide

Prijselasticiteit en omzet
1. De Ev = -3 (elastisch) en de prijs stijgt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid daalt dan 30%, want Ev = -3 = -30% / 10% 
  • de omzet daalt met 23%, want omzet (indexcijfer) = (110 x 70) / 100 = 77

2. De Ev = -3 (elastisch) en de prijs daalt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid stijgt dan 30%, want Ev = -3 = 30% / -10%
  • de omzet stijgt met 17%, want omzet (indexcijfer) = (90 x 130) / 100 = 117

Ev = %ΔQv / %ΔP
IndexCijferOmzet=​100​​IndexCijferPrijs⋅IndexCijferAfzet​​

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Les en Weektaak

  • wat: opdracht 2.3 (pagina 26) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 2.1 t/m 2.12

Slide 20 - Slide

Opdracht 2.3 (pagina 26)
Collectieve vraagfunctie spijkerbroeken: Qv = -500P + 80.000
a. Bereken de procentuele prijsverandering van een spijkerbroek.
  • %ΔP = (Pnieuw - Poud) / Poud x 100% 
  • %ΔP = (€ 120 - € 100) / € 100 x 100% = 20%
b. Bereken de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid spijkerbroeken.
  • %ΔQv = (Qvnieuw - Qvoud) / Qvoud x 100% 
  • Poud = € 100 → Qvoud = -500 x € 100 + 80.000 = 30.000 spijkerbroeken
  • Pnieuw = € 120 → Qvnieuw = -500 x € 120 + 80.000 = 20.000 spijkerbroeken
  • %ΔQv = (20.000 - 30.000) / 30.000 x 100% = -33,3%
c. Bereken de prijselasticiteit van de vraag naar spijkerbroeken bij deze prijsverandering.
  • Ev =  %ΔQv / %ΔP
  • Ev = -33,3% / 20% = -1,7

Slide 21 - Slide

Opdracht 2.3 (pagina 26)
Collectieve vraagfunctie spijkerbroeken: Qv = -500P + 80.000
d. Leg uit waarom de prijselasticiteit van de vraag altijd een negatief getal is.
  • het verband tussen prijs (P) en gevraagde hoeveelheid (Q) is negatief
  • dus als de prijs (P) stijgt, dan daalt de gevraagde hoeveelheid
  • en als de prijs (P) daalt, dan stijgt de gevraagde hoeveelheid 
e. Bereken de prijselasticiteit van de vraag naar spijkersbroeken bij deze prijsverandering.
  • Ev = %ΔQv / %ΔP
  • %ΔQv = (Qvnieuw - Qvoud) / Qvoud x 100%
  • Poud = € 100 → Qvoud = -500 x € 100 + 80.000 = 30.000 spijkerbroeken
  • Pnieuw = € 75 → Qvnieuw = -500 x € 75 + 80.000 = 42.500 spijkerbroeken
  • %ΔQv = (42.500 - 30.000) / 30.000 x 100% = 41,7%
  • %ΔP = (Pnieuw - Poud) / Poud x 100%  = (€ 75 - € 100) / € 100 x 100% = -25%
  • Ev = %ΔQv / %ΔP = 41,7% / -25% = -1,7

Slide 22 - Slide

Opdracht 2.3 (pagina 26)
Collectieve vraagfunctie spijkerbroeken: Qv = -500P + 80.000
f. Bereken de prijselasticiteit van de vraag naar spijkersbroeken bij deze prijsverandering.
  • Ev = %ΔQv / %ΔP
  • %ΔQv = (Qvnieuw - Qvoud) / Qvoud x 100%
  • Poud = € 75 → Qvoud = -500 x € 75 + 80.000 = 42.500 spijkerbroeken
  • Pnieuw = € 100 → Qvnieuw = -500 x € 100 + 80.000 = 30.000 spijkerbroeken
  • %ΔQv = (30.000 - 42.500) / 42.500 x 100% = -29,4%
  • %ΔP = (Pnieuw - Poud) / Poud x 100%  = (€ 100 - € 75) / € 75 x 100% = 33,3%
  • Ev = %ΔQv / %ΔP = -29,4% / 33% = -0,88

Slide 23 - Slide

Week 39 (vanaf 21 september 2026) 
Hoofdstuk 2. Elasticiteiten
  • terugblik vorige les (prijselasticiteit van de vraag)
  • opdracht 2.6 klassikaal bespreken
  • quiz (prijselasticiteit van de vraag)
  • oefening (prijselasticiteit van de vraag)
  • leerdoelen (kruislingse prijselasticiteit)
  • instructie (kruislingse prijselasticiteit)
  • weektaak: opdracht 2.13 t/m 2.16

Slide 24 - Slide

Terugblik vorige les (elasticiteiten)
Een elasticiteit is een vermenigvuldigingsgetal dat aangeeft hoe sterk de relatie tussen twee relatieve veranderingen is. 

Met een elasticiteit kun je bijvoorbeeld met
één getal beschrijven hoe sterk de vraag
reageert op een prijsverandering. We
gaan 3 elasticiteiten behandelen:
  1. prijselasticiteit (deze les)
  2. kruislingse elasticiteit (volgende les)
  3. inkomenselasticiteit (volgende les)


Slide 25 - Slide

Terugblik (prijselasticiteit van de vraag)


Ev = %Δq / %Δp
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
PrijsElasticiteitVanDeVraag(Ev)=​ProcentueleVeranderingPrijs​​ProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheid​​

Slide 26 - Slide

Terugblik (prijselasticiteit en omzet)
TO = Totale Opbrengst = Omzet = p x q
volkomen inelastische vraag

relatief inelastische vraag



relatief elastische vraag
IndexCijferOmzet=​100​​IndexCijferPrijs⋅IndexCijferAfzet​​

Slide 27 - Slide

Prijselasticiteit en omzet
1. De Ev = -0,3 (inelastisch) en de prijs stijgt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid daalt dan 3%, want Ev = -0,3 = -3% / 10% 
  • de omzet stijgt met 6,7%, want omzet (indexcijfer) = (110 x 97) / 100 = 106,7

2. De Ev = -0,3 (inelastisch) en de prijs daalt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid stijgt dan 3%, want Ev = -0,3 = 3% / -10%
  • de omzet daalt met 7,3%, want omzet (indexcijfer) = (90 x 103) / 100 = 92,7

Ev = %ΔQv / %ΔP
IndexCijferOmzet=​100​​IndexCijferPrijs⋅IndexCijferAfzet​​

Slide 28 - Slide

Prijselasticiteit en omzet
1. De Ev = -3 (elastisch) en de prijs stijgt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid daalt dan 30%, want Ev = -3 = -30% / 10% 
  • de omzet daalt met 23%, want omzet (indexcijfer) = (110 x 70) / 100 = 77

2. De Ev = -3 (elastisch) en de prijs daalt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid stijgt dan 30%, want Ev = -3 = 30% / -10%
  • de omzet stijgt met 17%, want omzet (indexcijfer) = (90 x 130) / 100 = 117

Ev = %ΔQv / %ΔP
IndexCijferOmzet=​100​​IndexCijferPrijs⋅IndexCijferAfzet​​

Slide 29 - Slide

Opdracht 2.6 (pagina 27)
Gegeven de volgende vraagfunctie: Qv = -5P + 1.000 met Qv in stuks en P in € per stuk.
a. Vul kolom (2) van de tabel in.
  • Qv(50) = -5 x 50 + 1000 = 750
  • Qv(100) = -5 x 100 + 1000 = 500
  • Qv(150) = -5 x 50 + 1000 = 250
b. Teken de collectieve vraaglijn.

Slide 30 - Slide

Opdracht 2.6 (pagina 28)
Gegeven de volgende vraagfunctie: Qv = -5P + 1000 met Qv in stuks en P in € per stuk.
c. Vul kolom (3) van de tabel in.
  • Qv(50) = 750 en Qv(60) = 700 -> Ev = ((700 - 750) / 750) / ((60 - 50) / 50) = -0,33
  • Qv(100) = 500 en Qv(110) = 450 -> Ev = ((450 - 500) / 500) / ((110 - 100) / 100) = -1
  • Qv(150) = 250  en Qv(160) = 200-> Ev = ((200 - 250) / 250) / ((160 - 150) / 150) = -3
d. Geef in figuur 2.2 aan welk deel van de collectieve vraaglijn een prijselastische vraag weergeeft en welk deel een prijsinelastische vraag.
e. In het midden van de vraaglijn is de Ev altijd precies -1. Leg m.b.v. de Ev uit dat de hoogste omzet altijd in het midden van de vraaglijn wordt behaald.
  • Bij Ev = -1 kan de omzet niet meer verhoogd worden door een prijsstijging of -daling.

Slide 31 - Slide

De prijselasticiteit van de vraag naar een goed is (bij een bepaalde prijs) -0,5.

Dit betekent dat...
A
als de prijs 10% daalt, de gevraagde hoeveelheid 5% stijgt
B
als de prijs 10% stijgt, de gevraagde hoeveelheid 5% stijgt
C
als de prijs € 10 daalt, de gevraagde hoeveelheid 5 stijgt
D
als de gevraagde hoeveelheid 10% moet stijgen, de prijs 5% moet dalen

Slide 32 - Quiz

De autokosten per kilometer bedragen € 0,25. De overheid overweegt een kilometerheffing in voeren van € 0,02 per kilometer waardoor volgens onderzoek het aantal gereden kilometers zal dalen van 4 naar 3,9 miljoen.

Bereken de prijselasticiteit van deze overheidsmaatregel.
A
-5
B
-0,3125
C
-0,25
D
0,2575

Slide 33 - Quiz

Wat kun je bij deze overheidsmaatregel zeggen over de prijselasticiteit van de vraag naar autokilometers?
A
volkomen elastisch
B
relatief elastisch
C
relatief inelastisch
D
volkomen inelastisch

Slide 34 - Quiz

Als de prijselasticiteit van de vraag naar benzine elastisch is dan...
A
leidt een prijsdaling tot een stijging van de omzet.
B
leidt een prijsdaling tot een daling van de omzet.
C
leidt een prijsstijging tot een stijging van de omzet.
D
leidt een prijsstijging tot een stijging van de vraag.

Slide 35 - Quiz

Het basistarief dat taxi's bij hun klanten in rekening mogen brengen, wordt aangepast.

In welk geval leidt de aanpassing tot een stijging van de omzet?
A
bij een verhoging van het tarief bij een prijselastische vraag
B
bij een verhoging van het tarief bij een prijsinelastische vraag
C
bij een verlaging van het tarief bij een prijsinelastische vraag
D
in geen van de genoemde gevallen

Slide 36 - Quiz

Oefening (Ev)
Collectieve vraag naar de PlayStation 5: qv = -0,06p + 90 (qv in 1.000 stuks en p in euro’s)
Bereken de prijselasticiteit als de prijs van de PS5 wordt verlaagd van € 900 naar € 800.
Stap 1: met hoeveel % daalt de prijs (p)?
  • prijs (p) van € 900 naar € 800 = (800 - 900) / 900 = -11,11%
Stap 2: met hoeveel % verandert dan de vraag (qv)?
  • qv (oud) = -0,06 * 900 + 90 = 36
  • qv(nieuw) = -0,06 * 800 + 90 = 42
  • vraag (q) van 36 naar 42 = (42 - 36) / 36 = +16,67%
Stap 3: invullen in formule prijselasticiteit (Ev)
  • Ev = %Δq / %Δ p = +16,67 / -11,11 = - 1.5


Slide 37 - Slide

Oefening (Ev)
Collectieve vraag naar de PlayStation 5: qv = -0,06p + 90 (qv in 1.000 stuks en p in euro’s)
Bereken de prijselasticiteit als de prijs van de PS5 wordt verlaagd van € 900 naar € 800.

Is de vraag bij een prijs van € 900 elastisch of inelastisch?
  • Ev = - 1.5 dus een elastische vraag bij een prijs van € 900

Is de omzet door de prijsverlaging gedaald of gestegen?
  • omzet (oud) = € 900 x 36 = € 32.400
  • omzet (nieuw) = € 800 x 42 = € 33.600
  • dus de omzet is gestegen door de prijsverlaging


Slide 38 - Slide

Leerdoelen H2. Elasticiteiten
  • Ik kan de 9 begrippen op pagina 39 omschrijven (zie LWEO). 
  • Ik kan het vraaggedrag van consumenten bij prijsveranderingen aantonen.
  • Ik kan de prijselasticiteit van de vraag berekenen en interpreteren.
  • Ik kan afleiden of er sprake is van een prijselastische vraag of een prijsinelastische vraag.
  • Ik kan het verband analyseren tussen prijsveranderingen, de prijselasticiteit en de omzet.
  • Ik kan verbanden leggen tussen procentuele veranderingen van omzet, prijs en afzet en er mee kunnen rekenen met behulp van indexcijfers.
  • Ik kan uitleggen dat de mate waarin de vraag reageert op prijsveranderingen bepaald wordt door de aanwezigheid van substitutiegoederen, de termijn en het soort goed.
  • Ik kan het verband uitleggen tussen de steilheid van de vraaglijn en de hoogte van de prijselasticiteit van de vraag.


























Slide 39 - Slide

Leerdoelen H2. Elasticiteiten
  • Ik kan de kruislingse prijselasticiteit van de vraag berekenen en interpreteren.
  • Ik kan uitleggen dat het teken van de kruislingse prijselasticiteit van de vraag bij substitutiegoederen positief is en bij complementaire goederen negatief is.


























Slide 40 - Slide

Kruislingse elasticiteit (Ek)


Ek = %Δq(a) / %Δp(b)
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
KruislingsePrijsElasticiteitVanDeVraag(Ek)=​ProcentueleVeranderingPrijsB​​ProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheidA​​

Slide 41 - Slide

Substitutie & Complementair

Slide 42 - Slide

Oefenopgave (Ek)
De huurwoningmarkt bestaat uit twee typen woningen: relatief goedkope huurwoningen van woningbouwcorporaties en duurdere particuliere huurwoningen. Gegeven is de volgende vraagfunctie: Qv = -6Pw + 0,5Pp + 6.000 waarbij:
Pw = gemiddelde huurprijs van huizen van woningbouwcorporaties in euro’s;
Pp = gemiddelde huurprijs van huizen in de particuliere sector in euro’s;
Qv = aantal gevraagde goedkope huurwoningen (× 1.000).



1. Leg uit hoe je aan de gegeven vraagfunctie kunt zien dat het de vraagfunctie van goedkope huurwoningen betreft.
  • dat is te zien aan -6Pw: de vraag is negatief afhankelijk van de prijs van goedkope huurwoningen van woningcorporaties
  • dat is te zien aan +0,5Pp: de vraag is positief afhankelijk van de prijs van duurdere huurwoningen


Slide 43 - Slide

Oefenopgave (Ek)
De huurwoningmarkt bestaat uit twee typen woningen: relatief goedkope huurwoningen van woningbouwcorporaties en duurdere particuliere huurwoningen. Gegeven is de volgende vraagfunctie: Qv = -6Pw + 0,5Pp + 6.000 waarbij;
Pw = gemiddelde huurprijs van huizen van woningbouwcorporaties in euro’s;
Pp = gemiddelde huurprijs van huizen in de particuliere sector in euro’s;
Qv = aantal gevraagde goedkope huurwoningen (× 1.000).

In de uitgangssituatie bedragen de prijzen Pw = € 500 en Pp = € 800.

2. Bereken de prijselasticiteit van de vraag naar goedkope huurwoningen bij de gegeven prijzen.
  • Qv = -6Pw + 0,5Pp + 6.000 → Qv = -6 × 500 + 0,5 × 800 + 6.000 = 3.400.
  • Verzin zelf een nieuwe Pw, bijvoorbeeld Pw = € 600 (+ 20%) → Qv = -6 × 600 + 0,5 × 800 + 6.000 = 2.800.
  • Qv daalt met (2.800 – 3.400) / 3.400) × 100% = -17,6%.
  • Ev = %ΔQw / %ΔPw = -17,6% / 20% = -0,88.


Slide 44 - Slide

Oefenopgave (Ek)
De huurwoningmarkt bestaat uit twee typen woningen: relatief goedkope huurwoningen van woningbouwcorporaties en duurdere particuliere huurwoningen. Gegeven is de volgende vraagfunctie: Qv = -6Pw + 0,5Pp + 6.000;
Pw = gemiddelde huurprijs van huizen van woningbouwcorporaties in euro’s;
Pp = gemiddelde huurprijs van huizen in de particuliere sector in euro’s;
Qv = aantal gevraagde goedkope huurwoningen (× 1.000).

In de uitgangssituatie bedragen de prijzen Pw = € 500 en Pp = € 800.

3. Bereken de kruislingse prijselasticiteit van de vraag naar goedkope huurwoningen ten opzichte van de prijs van duurdere huurwoningen bij de gegeven prijzen.
  • Verzin zelf een nieuwe Pp, bijvoorbeeld Pp = € 1.000 (+ 25%) → Qv = -6 × 500 + 0,5 × 1.000 + 6.000 = 3.500.
  • Qv stijgt met (3.500 – 3.400) / 3.400 × 100% = 2,9%.
  • Ek = %ΔQv / %ΔPp = 2,9% / 25% = 0,12.


Slide 45 - Slide

Slide 46 - Slide

Les en Weektaak

  • wat: opdracht 2.16 (pagina 31) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 2.13 t/m 2.16

Slide 47 - Slide

Week 39 (vanaf 21 september 2026) 
Hoofdstuk 2. Elasticiteiten
  • terugblik vorige les (kruislingse prijselasticiteit)
  • opdracht 2.16 klassikaal behandelen
  • leerdoelen (inkomenselasticiteit)
  • instructie (inkomenselasticiteit)
  • weektaak: opdracht 2.13 t/m 2.19

Slide 48 - Slide

Terugblik vorige les (elasticiteiten)
Een elasticiteit is een vermenigvuldigingsgetal dat aangeeft hoe sterk de relatie tussen twee relatieve veranderingen is. 

Met een elasticiteit kun je bijvoorbeeld met
één getal beschrijven hoe sterk de vraag
reageert op een prijsverandering. We
gaan 3 elasticiteiten behandelen:
  1. prijselasticiteit (deze les)
  2. kruislingse elasticiteit (volgende les)
  3. inkomenselasticiteit (volgende les)


Slide 49 - Slide

Terugblik (prijselasticiteit van de vraag)


Ev = %Δq / %Δp
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
PrijsElasticiteitVanDeVraag(Ev)=​ProcentueleVeranderingPrijs​​ProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheid​​

Slide 50 - Slide

Terugblik (prijselasticiteit en omzet)
TO = Totale Opbrengst = Omzet = p x q
volkomen inelastische vraag

relatief inelastische vraag



relatief elastische vraag
IndexCijferOmzet=​100​​IndexCijferPrijs⋅IndexCijferAfzet​​

Slide 51 - Slide

Prijselasticiteit en omzet
1. De Ev = -0,3 (inelastisch) en de prijs stijgt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid daalt dan 3%, want Ev = -0,3 = -3% / 10% 
  • de omzet stijgt met 6,7%, want omzet (indexcijfer) = (110 x 97) / 100 = 106,7

2. De Ev = -0,3 (inelastisch) en de prijs daalt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid stijgt dan 3%, want Ev = -0,3 = 3% / -10%
  • de omzet daalt met 7,3%, want omzet (indexcijfer) = (90 x 103) / 100 = 92,7

Ev = %ΔQv / %ΔP
IndexCijferOmzet=​100​​IndexCijferPrijs⋅IndexCijferAfzet​​

Slide 52 - Slide

Prijselasticiteit en omzet
1. De Ev = -3 (elastisch) en de prijs stijgt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid daalt dan 30%, want Ev = -3 = -30% / 10% 
  • de omzet daalt met 23%, want omzet (indexcijfer) = (110 x 70) / 100 = 77

2. De Ev = -3 (elastisch) en de prijs daalt 10%, wat gebeurt en met de vraag en de omzet?
  • de gevraagde hoeveelheid stijgt dan 30%, want Ev = -3 = 30% / -10%
  • de omzet stijgt met 17%, want omzet (indexcijfer) = (90 x 130) / 100 = 117

Ev = %ΔQv / %ΔP
IndexCijferOmzet=​100​​IndexCijferPrijs⋅IndexCijferAfzet​​

Slide 53 - Slide

Terugblik (kruislingse prijselasticiteit)


Ek = %Δq(a) / %Δp(b)
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
KruislingsePrijsElasticiteitVanDeVraag(Ek)=​ProcentueleVeranderingPrijsB​​ProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheidA​​

Slide 54 - Slide

Terugblik (substitutie & complementair)

Slide 55 - Slide

Opdracht 2.16 (pagina 31)
Gegeven de volgende vraagfunctie: Qvs = -5Ps + 10Pg + 160 met Qvs = gevraagde hoeveelheid spijkerbroeken, Ps = prijs spijkerbroek en Pg = prijs gewone broek
Gegeven is Ps = € 70 en Pg = € 80
a. Bereken de Ev naar spijkerbroeken als de prijs van spijkerbroeken stijgt naar € 77.
  • Qv(oud) = -5 x 70 + 10 x 80 + 160 = 610
  • Qv(nieuw) = -5 x 77 + 10 x 80 + 160 = 575
  • Ev = %Δq / %Δp = ((575 - 610) / 610) / (77 - 70)/ 70) = -5,7% / 10% = - 0,57
b. Hoe kan de gegeven vraagfunctie van spijkerbroeken afgeleid worden dat een gewone broek een substitutiegoed is van een spijkerbroek.

Slide 56 - Slide

Opdracht 2.16 (pagina 31)
Gegeven de volgende vraagfunctie: Qvs = -5Ps + 10Pg + 160 met Qvs = gevraagde hoeveelheid spijkerbroeken, Ps = prijs spijkerbroek en Pg = prijs gewone broek
Gegeven is Ps = € 70 en Pg = € 80
c. Bereken de Ek naar spijkerbroeken als alleen de prijs van gewone broeken met 5% stijgt.
  • Qv(oud) = -5 x 70 + 10 x 80 + 160 = 610
  • Qv(nieuw) = -5 x 70 + 10 x 84 + 160 = 650
  • Ek = %Δq / %Δp = ((650 - 610) / 610) / 5% = 6,6% / 5% = 1,3

Slide 57 - Slide

Opdracht 2.16 (pagina 31)
Gegeven de volgende vraagfunctie: Qvs = -5Ps + 10Pg + 160 met Qvs = gevraagde hoeveelheid spijkerbroeken, Ps = prijs spijkerbroek en Pg = prijs gewone broek
Gegeven is Ps = € 70 en Pg = € 80
Voor gewone broeken zijn de volgende gegevens bekend: Ep = -0,8 en Ek = 2.2.
d. Bereken met hoeveel % de omzet van gewone broeken verandert als de prijzen
van beide broeken met 10% stijgen.
  • effect stijging gewone broeken %ΔQ = -0,8 x 10% = -8%
  • effect stijging spijkerbroeken %ΔQ = 2,2 x 10% = 22%
  • index afzet = (92 * 122) / 100 = 112,2
  • index omzet = (index prijs x index afzet) / 100 = (110 x 112,2) / 100 = 123,4 dus 23,4%


Slide 58 - Slide

Leerdoelen H2. Elasticiteiten
  • Ik kan de 9 begrippen op pagina 39 omschrijven (zie LWEO). 
  • Ik kan het vraaggedrag van consumenten bij prijsveranderingen aantonen.
  • Ik kan de prijselasticiteit van de vraag berekenen en interpreteren.
  • Ik kan afleiden of er sprake is van een prijselastische vraag of een prijsinelastische vraag.
  • Ik kan het verband analyseren tussen prijsveranderingen, de prijselasticiteit en de omzet.
  • Ik kan verbanden leggen tussen procentuele veranderingen van omzet, prijs en afzet en er mee kunnen rekenen met behulp van indexcijfers.
  • Ik kan uitleggen dat de mate waarin de vraag reageert op prijsveranderingen bepaald wordt door de aanwezigheid van substitutiegoederen, de termijn en het soort goed.
  • Ik kan het verband uitleggen tussen de steilheid van de vraaglijn en de hoogte van de prijselasticiteit van de vraag.


























Slide 59 - Slide

Leerdoelen H2. Elasticiteiten
  • Ik kan de kruislingse prijselasticiteit van de vraag berekenen en interpreteren.
  • Ik kan uitleggen dat het teken van de kruislingse prijselasticiteit van de vraag bij substitutiegoederen positief is en bij complementaire goederen negatief is.

  • Ik kan de inkomenselasticiteit van de vraag berekenen en interpreteren.
  • Ik kan voorbeelden geven van normale goederen (luxe goederen en primaire goederen) en inferieure goederen en de relatie aantonen tussen de aard van deze goederen en de hoogte van de inkomenselasticiteit.


























Slide 60 - Slide

Inkomenselasticiteit (Ey)


Ey = %Δq / %Δy
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
InkomensElasticiteitVanDeVraag(Ey)=​ProcentueleVeranderingInkomen​​ProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheid​​

Slide 61 - Slide

Oefenopgave (Ey)
De vraagfunctie van elektrische fietsen in een land luidt als volgt: Qv = -0,5P + 0,75Y + 800 waarbij
 - Qv = aantal gevraagde elektrische fietsen (× 1.000)
 - P = prijs per elektrische fiets in euro’s en Y = het nationaal inkomen van het land in miljarden euro’s per jaar.

In de uitgangssituatie is de prijs van een elektrische fiets € 1.500 en is het nationaal inkomen € 800 miljard.
1. Bereken de inkomenselasticiteit van de vraag naar elektrische fietsen in de uitgangssituatie.
  • Oude Y = € 800 miljard → Oude Qv = −0,5 × 1.500 + 0,75 × 800 + 800 = 650 (× 1.000)
  • Nieuwe Y = € 880 miljard (bijvoorbeeld) → Nieuwe Qv = −0,5 × 1.500 + 0,75 × 880 + 800 = 710 (× 1.000)
  • %∆Qv = (710 – 650) / 650 × 100% = 9,2%.
  • %∆Y = (880 – 800) / 800 × 100% = 10%.
  • Ey = %∆Qv / %∆Y = 9,2% / 10% = 0,92
2. Is een elektrische fiets in dit land een primair goed, een luxe goed of een inferieur goed? 
  • Een primair goed, 0 < Ey < 1 en dat wijst op een primair goed, want daarbij ligt Ey tussen 0 en 1.






Slide 62 - Slide

Slide 63 - Slide

Les en Weektaak

  • wat: opdracht 2.19 (pagina 33) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 2.13 t/m 2.19

Slide 64 - Slide

Opdracht 2.19 (pagina 33)
De vraag naar product A hangt af van de hoogte van het inkomen: Qv = 0,002Y - 50 met Qv = vraag naar product A en Y = inkomen in euro's. In de uitgangssituatie is het inkomen € 30.000.
a. Bereken het drempelinkomen.
  • Qv = 0  -> 0,002Y - 50 = 0 -> Y = € 25.000
b. Bereken de Ey als het inkomen stijgt met € 3.000.
  • Qv(oud) = 0,002 x € 30.000 - 50 = 10
  • Qv(nieuw) = 0,002 x € 33.000 - 50 = 16
  • Ey = %Δq / %Δy = ((16 - 10) / 10) / ((33.000 - 30.000) / 30.000) = 60% / 10% = 6
c. Wat voor soort goed is product A?
  • Ey > 1 -> product A is een luxe goed

Slide 65 - Slide

Als het inkomen met 10% stijgt en de vraag naar product X met 15% stijgt, dan is er sprake van een...
A
inferieur goed
B
primair goed
C
luxe goed
D
abnormaal goed

Slide 66 - Quiz

66. Gegeven de vraagfunctie Qv = -50P + 0,02Y + 80.
Op dit moment geldt P = 8 en Y = 25.000.
Als het inkomen stijgt, daalt de prijselasticiteit van de vraag.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 67 - Quiz

68. Als het gemiddeld besteedbaar inkomen in Nederland stijgt van € 25.000 naar € 30.000, stijgt de vraag naar smartphones met een kwart.

De inkomenselasticiteit van de vraag naar smartphones is dan ...

A
0,8
B
0,96
C
1,04
D
1,25

Slide 68 - Quiz