T3 §3.7: persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord; telwoorden

Nederlands
Woordsoorten

1 / 19
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1-4

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Nederlands
Woordsoorten

Slide 1 - Slide

Nederlands
De woordsoorten op de volgende dia's ken je al. Doe je best!

Slide 2 - Slide

Kijk naar de volgende zin. Sleep de woorden naar de juiste woordsoort. Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
voorzetsel
voegwoord
Naomi
zat
aan
de
telefoon
en
voerde
een
kort
gesprek.

Slide 3 - Drag question

Kijk naar de volgende zin. Sleep de woorden naar de juiste woordsoort. Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
Voorzetsel
De
dj
heeft
op
Solar
wereldberoemde
Tiësto
gedraaid.

Slide 4 - Drag question

Nieuwe woordsoorten

Aan het einde van de les ken je drie nieuwe woordsoorten:

  • persoonlijk voornaamwoord
  • bezittelijk voornaamwoord
  • telwoord




Slide 5 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord
Het persoonlijk voornaamwoord vervangt een zelfstandig naamwoord, vaak een naam:
Simone is docent.                         -     Zij is docent. 
Vincent is cool.                              -     Hij is cool.
Mw. Kool geeft les aan T3A       -     Ik geef les aan jullie.
Dina geeft een boek aan Ilyas   -    Zij geeft het aan hem

Slide 6 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord: duidt het bezit aan van iemand. Het staat altijd vóór een zelfstandig naamwoord!

- Het is mijn bal.
- Dat is haar trui.
- Dit is jouw pen.

Slide 7 - Slide

'Die gekke bril is van mij.'

'mij' is .....?
A
Een bezittelijk voornaamwoord
B
Een persoonlijk voornaamwoord

Slide 8 - Quiz

'Die bril is van mij.'

'Die bril' kan worden vervangen door .....?
A
hij
B
zij
C
het

Slide 9 - Quiz

Wie haalt jullie op?

JULLIE is een...
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 10 - Quiz

Die telefoon van JOU is zo lelijk.

JOU is een...
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 11 - Quiz

JOUW telefoon ligt nog aan de lader.

JOUW is een...
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 12 - Quiz

Noem het persoonlijk voornaamwoord:

Wat vond je van mijn doelpunt, Menno?
A
je
B
mijn
C
doelpunt
D
Menno

Slide 13 - Quiz

Noem het bezittelijk voornaamwoord:

Wat vond je van mijn doelpunt, Menno?
A
je
B
Menno
C
doelpunt
D
mijn

Slide 14 - Quiz

Noem het bezittelijk voornaamwoord:

Wat vond hij van je doelpunt, Menno?
A
hij
B
doelpunt
C
je
D
Menno

Slide 15 - Quiz

Wat is het woordje 'haar' in onderstaande zin?

De jongen wees naar haar.
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
zelfstandig naamwoord

Slide 16 - Quiz

Mijn fiets is gestolen.

Mijn=
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
voorzetsel
D
bijvoeglijk naamwoord

Slide 17 - Quiz

Welke van de onderstaande voorbeelden bevat een persoonlijk voornaamwoord?
A
Jouw verhaal
B
Geef elkaar een hand
C
Onze telefoon
D
Het verhaal van jou

Slide 18 - Quiz

Door welke persoonlijke voornaamwoorden kan je de personen in deze zin vervangen?

2. Mijn moeder heeft Mick straf gegeven.
A
Zij + hij
B
Haar + hij
C
Zij + hem
D
Haar + hem

Slide 19 - Quiz