B P3 Herhaling

B P3 Herhaling
1 / 37
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

B P3 Herhaling

Slide 1 - Slide

Wat moet ik weten op de toets?
- Bezittelijke voornaamwoorden
-  Getallen 100+
Herhaling op de toets:
- Regelmatige werkwoorden (Feesttenten)
- Haben/sein in tegenwoordige tijd




Slide 2 - Slide

Bezittelijke voornaamwoorden

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Welke bezittelijke voornaamwoorden zijn er in het Duits?

Slide 5 - Open question

Das ist (mijn) Tasche
A
Mein
B
Meine
C
Mien
D
Miene

Slide 6 - Quiz

Bezittelijk voornaamwoord
haar (Hund)
A
sein
B
ihr
C
mein
D
dein

Slide 7 - Quiz

Bezittelijk voornaamwoord
uw
A
Ihr(e)
B
ihr(e)
C
dein(e)
D
euer(e)

Slide 8 - Quiz

Een bezittelijk voornaamwoord
A
staat voor het zelfstandig naamwoord
B
staat na het zelfstandig naamwoord
C
kan een persoonlijk voornaamwoord vervangen
D
geeft een bezit aan

Slide 9 - Quiz

Bezittelijke voornaamwoorden
(mijn) ......... Mutter
A
mein
B
meine

Slide 10 - Quiz

Bezittelijke voornaamwoorden
(mijn) ......... Schwester
A
mein
B
meine
C
Mein
D
Meine

Slide 11 - Quiz

Bezittelijke voornaamwoord
(mijn) ......... Zimmer
A
dein
B
meine
C
mein
D
meine

Slide 12 - Quiz

Bezittelijk voornaamwoord:
vertaal: haar
A
unser
B
euer
C
ihr
D
sie

Slide 13 - Quiz

Getallen 100 +

Slide 14 - Slide

getallen
de 
getallen

Slide 15 - Slide

Getallen
Vertaal de volgende getallen naar het Duits

Slide 16 - Slide

3700

Slide 17 - Open question

53

Slide 18 - Open question

2678

Slide 19 - Open question

Herhaling:
Regelmatige werkwoorden

Slide 20 - Slide

Wat was het ezelsbruggetje voor de regelmatige werkwoorden?
A
't kofschip
B
feesttenten
C
feestenten
D
aus-bei-mit-nach-seit-von-zu

Slide 21 - Quiz

Hoe vervoeg je een (regelmatig) werkwoord?
A
stam
B
Hele werkwoord+ uitgang
C
stam + uitgang

Slide 22 - Quiz

uitgang bij regelmatige werkwoord

ich = stam +
A
e
B
st
C
t
D
en

Slide 23 - Quiz

uitgang bij regelmatige werkwoord

du = stam +
A
e
B
st
C
t
D
en

Slide 24 - Quiz

uitgang bij regelmatige werkwoord

er = stam +
A
e
B
st
C
t
D
en

Slide 25 - Quiz

Ich (arbeiten)

Slide 26 - Open question

Wir (machen)

Slide 27 - Open question

Ihr (melden)

Slide 28 - Open question

Valerie (kochen)

Slide 29 - Open question

Das Flugzeug (landen)

Slide 30 - Open question

Herhalen:
Haben und sein

Slide 31 - Slide

Wir (haben)…….geschwommen und (sein)…….nach Hause gelaufen.
A
hat/sein
B
haben/ist
C
haben/sind
D
hast/sind

Slide 32 - Quiz

Tragt die richtige Verbform von:
haben und sein ein.
(U heeft) starke Bauchschmerzen
A
sie hat
B
sie haben
C
Sie haben
D

Slide 33 - Quiz

Kies de juiste vorm van haben of sein in de onderstaande zin.

"Und was ............ Sie von Beruf?"
A
sind
B
seid
C
haben
D
hast

Slide 34 - Quiz

Tragt die richtig Verbform von haben und sein ein.
…. ( ben) du heute in der Schule?
A
wart
B
biest
C
seid
D
bist

Slide 35 - Quiz

Tragt die richtige Verbform von haben und sein ein.
…. ihr heute zu Hause?
A
sind
B
sein
C
wart
D
seid

Slide 36 - Quiz

Tragt die richtige Verbform von haben und sein ein.
….( zijn) ihr heute zu Hause?
A
sind
B
sein
C
wart
D
seid

Slide 37 - Quiz