H1 1.3 + 1.4 Wat heb je geleerd?

H1 par. 1.3 + 1.4

1 / 17
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min

Items in this lesson

H1 par. 1.3 + 1.4

Slide 1 - Slide

Wat heb je geleerd?

Slide 2 - Slide

Juist of onjuist?
Een begroting maak je altijd vooraf.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 3 - Quiz

Wat is budgetteren?
A
Zorgen voor meer inkomsten
B
Minder geld uitgeven
C
Inkomsten en uitgaven op elkaar afstemmen

Slide 4 - Quiz

Onder welke inkomensvorm valt zakgeld?
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezit
C
Overdrachtsinkomen
D
Inkomen in natura.

Slide 5 - Quiz

Onder welke inkomensvorm valt loon?
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezit
C
Overdrachtsinkomen
D
Inkomen in natura.

Slide 6 - Quiz

Geef een voorbeeld van
'inkomen uit bezit'.

Slide 7 - Open question

Een nieuwe telefoon hoort bij de ...
A
huishoudelijke uitgaven.
B
incidentele uitgaven.
C
vaste lasten.

Slide 8 - Quiz

Het abonnement van de telefoon hoort bij de ...
A
huishoudelijke uitgaven.
B
incidentele uitgaven.
C
vaste lasten.

Slide 9 - Quiz

Benzine tanken hoort bij de ...
A
huishoudelijke uitgaven.
B
incidentele uitgaven.
C
vaste lasten.

Slide 10 - Quiz

Je krijgt € 5 zakgeld per week.
Hoeveel is dat per maand?
A
€ 20
B
meer dan € 20
C
minder dan € 20

Slide 11 - Quiz

Wat is inflatie?
A
Stijging van de prijzen
B
Daling van de prijzen
C
Stijging van de koopkracht
D
Het geld wordt meer waard

Slide 12 - Quiz

Wat is koopkracht?
A
Hoeveel inkomsten je hebt
B
De hoeveelheid producten die je kunt kopen
C
Hoeveel spaargeld je hebt
D
Hoeveel euro's je kunt uitgeven

Slide 13 - Quiz

De koopkracht is afhankelijk van ...
A
het prijsniveau en je behoeften
B
je inkomsten en je uitgaven
C
je inkomsten en je behoeften
D
je inkomsten en het prijsniveau

Slide 14 - Quiz

Wat gebeurt er met de koopkracht als er sprake is van inflatie?
A
De koopkracht blijft gelijk
B
De koopkracht neemt toe
C
De koopkracht neemt af

Slide 15 - Quiz

Wat gebeurt er met de koopkracht als:
loonstijging = 4% én
inflatie = 5%?
A
De koopkracht blijft gelijk
B
De koopkracht neemt toe
C
De koopkracht neemt af

Slide 16 - Quiz

Met welke formule bereken je een stijging of daling in procenten?
A
(nieuw - oud ) : nieuw x 100
B
(oud - nieuw) : nieuw x 100
C
(nieuw - oud ) : oud x 100
D
(oud - nieuw) : oud x 100

Slide 17 - Quiz