03. 3T H3.3 Budgetteren (-3-25)

H3 De winkel in
KGT Paragraaf 3: Budgetteren
1 / 38
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 2,3

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

H3 De winkel in
KGT Paragraaf 3: Budgetteren

Slide 1 - Slide

Vandaag
Huiswerk bespreken
Hoofdstuk 3 paragraaf 3
Vragen beantwoorden
Huiswerk

Slide 2 - Slide

Deze kun je terugvinden in teams
Neem deze over in je schrift

Slide 3 - Slide

Omrekenen week/jaar/maand

Slide 4 - Slide


BK

Maken Hoofdstuk 3:
paragraaf 2

(incl rekentrainer)


KGT

Maken Hoofdstuk 3:
paragraaf 2

(incl rekentrainer)

Huiswerk

Slide 5 - Slide

Rekentrainer
Controleren

Slide 6 - Slide

Bespreken
opdracht 

Slide 7 - Slide

Formule:
Omzet
 inkoopwaarde
brutowinst
bedrijfskosten
nettowinst
-

-

Slide 8 - Slide

3.2 opdracht 6
c) Hoeveel zijn haar gemiddelde ontvangsten per maand samen?
d) Hoeveel procent van haar gemiddelde ontvangsten per
maand bestaat uit overdrachtsinkomen?
Rond af op hele procenten.





  1. Waar komt ? 
  2. Zet je gegevens in een tabel
  3. Bepaal waar de 1 komt te staan
  4. Reken uit
  5. Geef antwoord op de vraag.
Stappenplan:
%

Slide 9 - Slide

3.2 opdracht 6
c) Hoeveel zijn haar gemiddelde ontvangsten per maand samen?
d) Hoeveel procent van haar gemiddelde ontvangsten per
maand bestaat uit overdrachtsinkomen?
Rond af op hele procenten.





  1. Waar komt ? 
  2. Zet je gegevens in een tabel
  3. Bepaal waar de 1 komt te staan
  4. Reken uit
  5. Geef antwoord op de vraag.
Stappenplan:
   2300
   1
     80
%
   100
      ?

Slide 10 - Slide

Doel 3.3
  • Ik kan uitleggen wat budgetteren is.
  • Ik kan budgetten opstellen.

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Budgetplan
een overzicht van je inkomsten en uitgaven
Budget = Een bedrag waarvan je bepaalde uitgaven moet doen.
Bij een overschot  ->  sparen.
Bij een tekort  ->  bezuinigen.

Slide 13 - Slide

Vaste lasten
Dit zijn uitgaven die regelmatig terug keren.
Bijvoorbeeld:
  • Huur
  • Abonnementen
  • Gas, water en licht
Dus die je elke maand (of ieder half jaar) moet betalen.
Tekst
5.2

Slide 14 - Slide

Dagelijkse uitgaven
  • Boodschappen.
  • uitgaan
  • uitgaven voor verbruiksgoederen

Slide 15 - Slide

Incidentele uitgaven
Dit zijn uitgaven die onregelmatig zijn 
(je weet ze nooit vantevoren precies).
Bijvoorbeeld:
  • Vakantie
  • Andere auto
  • Nieuwe wasmachine
als ze stuk gaan bijvoorbeeld
5.2

Slide 16 - Slide

Sparen - reserveren

Slide 17 - Slide

Waarom reserveren?
Duurzame gebruiksgoederen moeten vervangen worden.
  • Beperkte gebruiksduur
  • Kapot
  • Verouderd
  • Betere alternatieven

Slide 18 - Slide

Doel bijstellen of nieuw doel?

Slide 19 - Slide


BK

Maken Hoofdstuk 3:
paragraaf 3

(incl rekentrainer)


KGT

Maken Hoofdstuk 3:
paragraaf 3

(incl rekentrainer)

Huiswerk

Slide 20 - Slide

Nabespreking
Hoe is het gegaan?
Wat ging goed?
Wat vond je moeilijk?
Welke vragen heb je nog?

Slide 21 - Slide

Extra uitleg:

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

Slide 24 - Video

Begroting

Slide 25 - Slide

Wat is GEEN incidentele uitgaven?
A
Een nieuwe schooltas
B
Kapotte wasmachine
C
Reparatie aan de auto
D
Een fles Cola

Slide 26 - Quiz

Vaste lasten zijn
A
uitgaven die je vast en zeker verwacht
B
steeds dezelfde uitgaven
C
uitgaven waarvoor je iedere maand spaart
D
uitgaven per vaste periode

Slide 27 - Quiz

WAT IS EEN BUDGET?
A
geld wat je te besteden hebt
B
dat zijn onkosten
C
dat is een begroting
D
geld voor oliebollen

Slide 28 - Quiz

Vaste lasten zijn
A
uitgaven die je vast en zeker verwacht
B
steeds dezelfde uitgaven
C
uitgaven waarvoor je iedere maand spaart
D
uitgaven per vaste periode

Slide 29 - Quiz

Dagelijkse uitgaven zijn:
A
uitgaven van een huishouden en de kosten die regelmatig terug keren
B
gewone uitgaven voor boodschappen die je betaald van huishoudgeld
C
uitgaven die je niet zo vaak doet of waar je voor moet sparen

Slide 30 - Quiz

Wat is budgetteren?
A
Inkomsten en uitgaven op elkaar afstemmen
B
een (financieel) plan maken
C
geld sparen
D
geld uitgeven

Slide 31 - Quiz

Benzine voor je scooter tanken hoort bij de ...
A
dagelijkse uitgaven
B
incidentele uitgaven
C
vaste lasten

Slide 32 - Quiz

Reparatie van een computer?
A
dagelijkse uitgaven
B
incidentele uitgaven
C
vaste lasten

Slide 33 - Quiz

Aankoop van een cd-speler?
A
incidentele uitgaven
B
dagelijkse uitgaven
C
vaste lasten

Slide 34 - Quiz

Een abonnement op een sportschool?
A
incidentele uitgaven
B
dagelijkse uitgaven
C
vaste lasten

Slide 35 - Quiz

Aankoop van shampoo?
A
vaste lasten
B
dagelijkse uitgaven
C
incidentele uitgaven

Slide 36 - Quiz

Contributie hockeyclub
A
dagelijkse uitgaven
B
vaste lasten
C
incidentele uitgaven

Slide 37 - Quiz

Abonnement van je telefoon
A
dagelijkse uitgaven
B
incidentele uitgaven
C
vaste lasten

Slide 38 - Quiz