Vergelijkingen woordvolgorde mondeling voorbereiden

1 / 22
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Qu'est-ce qu'on va faire aujourd'hui
- On répète comment on peut créer des comperatifs (vergelijkingen)
- On va apprendre comment on peut créer des phrases logiques (woordvolgorde)
- Je gaat het eerste deel van je mondeling voorbereiden waarin je een gesprek voert over je dagelijkse/wekelijkse activiteiten.
- We oefenen met de uitspraak


Slide 2 - Slide

Comparaisons
plus (meer)                             
moins (minder)     + bijvoeglijk naamwoord + que (dan/als)
aussi (even)                  (in de juiste vorm)

Il est plus grand que son père = hij is groter dan zijn vader
Elle est moins grande que son frèe = zij is minder groot dan haar broer
Ils sont aussi grands que les arbres = Zij zijn even groot als de bomen
Elles sont plus grandes que les garçons = Zij zijn groter dan de jongens







Slide 3 - Slide

Comparaisons 2
Beter dan = meilleur que en dus niet > plus bon

Lucas est meilleur que Sofie = Lucas is beter dan Sofie
Sofie est meilleure que Lucas = Sofie is beter dan Lucas







Slide 4 - Slide

Paul is groter dan Jan

Slide 5 - Open question

Paula is minder klein dan haar zus

Slide 6 - Open question

Mbappé is beter dan Messi

Slide 7 - Open question

Janine et Paula zijn even aardig als Pieter

Slide 8 - Open question

L'ordre des mots
Zin type 1 in het Frans
-onderwerp - gezegde (alle werkwoorden) - lijdend voorwerp

Ik zoek de bakkerij > Je cherche la boulangerie
Wij gaan de wedstrijd winnen > Nous allons gagner le match

Slide 9 - Slide

mangez-une pomme-vous (maak een correcte zin)

Slide 10 - Open question

va-ses devoirs-faire-il (maak een correte zin)

Slide 11 - Open question

L'ordre des mots
Zin type 2 in het Frans
-onderwerp - gezegde (alle werkwoorden) - lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp

Ik geef mijn tas aan mijn moeder > Je donne mon sac à ma mère
Zij gaat haar auto aan haar vriendin verkopen > Elle va vendre sa voiture à son amie

Slide 12 - Slide

J'-une lettre-écrit- à mes amis de vacances-ai

Slide 13 - Open question

L'ordre des mots
Zin type 3 in het Frans
Bepaling (tijd/plaats)-onderwerp - gezegde (alle werkwoorden) - lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp- bepaling (tijd/plaats)

Dit weekend ga ik een bos bloemen geven aan mijn oma > 
- Ce weekend, je vais donner un bouquet de fleurs à ma grand-mère
- Je vais donner un bouquet de fleurs à ma grand-mère ce weekend


Slide 14 - Slide

a-hier-un livre-il-à sa copine-donné

Slide 15 - Open question

L'ordre des mots
Zin in het Frans met bijvoeglijk naamwoord en bijwoord
-onderwerp - gezegde (alle werkwoorden) - lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp
Het bijvoeglijk naamwoord staat voor of na het woord (persoon/ding) waar het bij hoort. Het bijwoord komt meestal na het werkwoord (handeling/actie) waar het bij hoort
Ik geef mijn blauwe tas snel aan mijn moeder > Je donne rapidement mon sac bleu à ma mère


Slide 16 - Slide

rapidement- donne-à la caissière de Jumbo-je-carte bancaire-nouvelle-ma

Slide 17 - Open question

Maak nu eens 2 Franse zinnen met zoveel mogelijk woordsoorten aan de hand van de voorbeelden die we hebben behandeld

Slide 18 - Open question

Chapitre 6 Partie H
Prends ton livre à la page soixante-quatorze.

Fais exercices 29AC, 30AC, 32A 


Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Préparation pour l'oral 




- Maak een gesprek over je dagelijkse en 
wekelijkse gewoontes
- Beantwoord de vraag:
Quelle est ta journée préferée? >


Slide 21 - Slide

Les outils pour l'oral
- Woordenlijst chapitre 6 page 78, 79, et 80

- Phrases-clés van de afgelopen jaren: pages 171 à 179

Slide 22 - Slide