Thema 12 Les 2 Woordenschat

Thema 12 Les 2 
Woordenschat 
1 / 20
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Thema 12 Les 2 
Woordenschat 

Slide 1 - Slide

Huiswerk
Wat moest je doen? 
De bronnen van thema 12 afhebben. 




Slide 2 - Slide

Lesdoel
Aan het einde van de les:
- Kun je in eigen woorden vertellen wat de 10 geleerde woorden betekenen.
- Kun je voor 10 nieuwe woorden een woordposter maken.

Slide 3 - Slide

Kijken naar deze eerste 10 woorden
Tip
Schrijf mee in je schrift

Slide 4 - Slide

Echte vriendschap

Sam en Amir zijn beste vrienden. Ze zitten samen in de klas en moeten zich aanpassen aan een nieuwe opdracht. Vandaag doen ze een leuke activiteit: samen een poster maken over vriendschap. Terwijl ze werken, babbelen ze over hun weekend. De leraar legt eerst het begrip vriendschap uit. "Wat betekent een goede vriend voor jou?" vraagt hij. Daarna moeten de leerlingen elkaar beoordelen. Sam en Amir vinden dat ze goed hebben samengewerkt. Op de poster schrijven ze dat vriendschap in bepaalde situaties moeilijk kan zijn, maar dat echte vrienden elkaar altijd helpen.

Na school gaan ze hun vriend Yusuf bezoeken. Hij is ziek en kan niet naar buiten. Onderweg zien ze een jongen die zijn arm heeft gebroken. "Dat moet pijn doen!" zegt Amir. "Laten we hem helpen." Yusuf heeft koekjes gebakken. Hij geeft er een paar aan Sam en Amir. "Je moet altijd delen met je vrienden," zegt hij. "Ja," zegt Sam. "Daarvan word je blij!"








Slide 5 - Slide

Aanpassen
Anders maken / beter maken.

Werkwoord.

Kun je het verslag aanpassen?

Slide 6 - Slide

De activiteit
Iets wat je kunt doen.



Morgen doen we een leuke activiteit met de klas.

Slide 7 - Slide

babbelen
Praten over dingen die niet zo belangrijk zijn.

Werkwoord

De vriendinnen zijn aan het babbelen tijdens het feestje.

Slide 8 - Slide

Het begrip
Het snappen
Begrijpen



De docent toont veel begrip voor mijn probleem.

Slide 9 - Slide

Beoordelen
zeggen wat je van iets of iemand vindt.

Werkwoord

De juf beoordeelt het werk van de leerlingen.

Slide 10 - Slide

Bepaald
als je er niet aan twijfelt, en het duidelijk is om wie of wat het gaat


Dat is bepaald geen goed idee.

Slide 11 - Slide

Bezoeken
naar iets of iemand gaan om er even te blijven.

Werkwoord

Ik ga mijn oma bezoeken.

Slide 12 - Slide

Breken
in twee of meer stukken delen, kapotmaken

Werkwoord 


De man breekt de spaghetti. 

Slide 13 - Slide

daarvan 
Van dat wat net is gezegd.



Heb je het nieuws gehoord? Wat vind je daarvan?

Slide 14 - Slide

delen
iedereen er iets van geven

werkwoord

De kinderen delen hun speelgoed.

Slide 15 - Slide

Over welk woord heb je nog een vraag?

Slide 16 - Open question

Aan het werk!
Opdracht: Woordposter maken
Hoe maak je een woordposter?
  • Schrijf jouw woord rechtsboven.
  • Vul de poster verder in.
timer
30:00

Slide 17 - Slide

Aan het werk!
Wat moet je doen? Maak voor de woorden 11 t/m 21 een woordposter.
Hoe moet je dit doen? Je mag in het woordenboek zoeken of op je laptop kijken. 
Hoeveel tijd heb je? Tot de laatste 5 minuten van de les.
Klaar? Vertaal ook de woorden 11 t/m 21 op de woordenlijst.

Kan iedereen nu aan het werk?

Slide 18 - Slide

Wat heb je in deze les geleerd?

Slide 19 - Open question

Huiswerk 
- Vertaal de volgende 10 woorden (11 t/m 21) van de woordenlijst en maak een zin met de woorden.
- Maak alle woordposters af.

Slide 20 - Slide