Cursus 4 Taal Stijlfiguren 3HAVO

Cursus 4 Taal
stijlfiguren
1 / 41
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Cursus 4 Taal
stijlfiguren

Slide 1 - Slide

Wat gaan we doen?

  • terugblik + oefenen stijlfiguren klas 2
  • Uitleg en herhaling eufemisme, understatement, ironie en sarcasme.

Slide 2 - Slide

doel
  • Ik ken alle vormen van beeldspraak en alle stijlfiguren die we in klas 1 t/m 3 hebben geleerd en kan dit toepassen in een zin.

Slide 3 - Slide

herhaling Stijlfiguren
Klas 2: Beeldspraak (vergelijking, metafoor en personificatie)
Stijlfiguren: herhaling, tegenstelling, opsomming, hyperbool
Paragraaf 2: understatement, eufemisme, ironie en sarcasme
Paragraaf 5: Metonymie en synesthesie

Slide 4 - Slide

Beeldspraak
Bij beeldspraak is er een overeenkomst tussen object en beeld.
Vergelijking: een kwal van een vent
Metafoor: Dat is zo klaar als een klontje
Personificatie: De zon streelde onze wangen

Slide 5 - Slide

metafoor
  • een vergelijking tussen twee zaken die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben:
                      Mijn vader is een boom van een kerel.

Slide 6 - Slide

Beeldspraak:

"Hij is een sluwe vos."
timer
0:10
A
Vergelijking
B
Personificatie
C
Metafoor
D
Beeldspraak

Slide 7 - Quiz

Welke vorm van beeldspraak?
A
Metafoor
B
Personificatie
C
Vergelijking

Slide 8 - Quiz

Welke vorm van beeldspraak?
A
Metafoor
B
Personificatie
C
Vergelijking

Slide 9 - Quiz

Beeldspraak:

"Wat een nachtegaal is die zangeres!"
timer
0:10
A
Vergelijking
B
Personificatie
C
Metafoor
D
Synesthesie

Slide 10 - Quiz

Herhaling klas 2

Slide 11 - Slide

herhaling
  • Drommels, drommels en nog eens drommels.
  • Geld, ja, geld is het enige waar hij voor leeft.
  • Ik ga nooit, nooit meer in een achtbaan.

Slide 12 - Slide

opsomming: drieslag
Een opsomming van drie woorden, zinnen of zinsdelen.
Bloed, zweet en tranen.
Veni, vidi, vici.
Heerlijk, helder, Heineken.

Slide 13 - Slide

opsomming: climax
Een steeds sterker wordende reeks.
Goed, beter, best.
Hij voelde zich goed, nee geweldig, hij voelde zich fantastisch.

Slide 14 - Slide

tegenstelling
  • Wij steunen elkaar door dik en dun.
  • De grootste ondernemer van de stad moest op de kleintjes letten.
  • Een grote mond, maar een klein hartje hebben.

Slide 15 - Slide

opsomming: omgekeerde climax
een steeds zwakker wordende reeks
Hij dacht een auto te hebben gewonnen, maar het bleek zelfs nog geen fiets. Nee, hij won een bal.

Slide 16 - Slide

hyperbool
  • overdrijving :  We hebben ons kapot gelachen.

Slide 17 - Slide

In welke zin zit een hyperbool?
A
Op dit moment is er veel krapte op de arbeidsmarkt.
B
Met mijn goedlopende bedrijf heb ik wel een paar centjes verdiend.
C
Na dat feestje dronk ik eerst een hele sloot water tegen de kater.
D
Ik heb lak aan jouw mening.

Slide 18 - Quiz

'Je hebt de toets heel goed gemaakt, wel een beetje onder je niveau, en met een paar fouten, maar toch best oké, in ieder geval een krappe voldoende.'
A
Climax
B
Omgekeerde climax

Slide 19 - Quiz

In welke zin staat een climax?
A
fout, fout, fout
B
Eerst wandelde hij, toen ging hij over in een draf en uiteindelijk begon hij te sprinten.
C
Spreken is zilver, zwijgen is goud.
D
rust, reinheid, regelmaat

Slide 20 - Quiz

Wat is een voorbeeld van een drieslag?
A
fout, fout, fout
B
Eerst wandelde hij, toen ging hij over in een draf en uiteindelijk begon hij te sprinten.
C
Spreken is zilver, zwijgen is goud.
D
rust, reinheid, regelmaat

Slide 21 - Quiz

Cursus 4 Paragraaf 2

Slide 22 - Slide

understatement
  • afzwakking, je zegt dat iets minder groot, mooi, belangrijk, .. is dan dat het in werkelijkheid is
  • vaak: ironisch effect, je moet de situatie kennen om de understatement te begrijpen                                                                                                                                                                                              Messi kan wel een aardig balletje trappen.

Slide 23 - Slide

eufemisme
  • verzacht de werkelijkheid
  • bij nare situaties
  • Je zegt iets op zo'n manier dat het minder erg of hard overkomt:   Hij gaat creatief om met de waarheid.

Slide 24 - Slide

Ironie en sarcasme
Ironie: Milde spot waarbij het tegenoverstelde gezegd wordt van wat eigenlijk wordt bedoeld.

Sarcasme: bijtende spot, scherper van toon als ironie, bedoeld om iemand te kwetsen.

Slide 25 - Slide

Gisteren hebben we opa naar zijn laatste rustplaats gebracht.
A
hyperbool
B
eufemisme
C
understatement
D
tegenstelling

Slide 26 - Quiz

Ik had een twee voor het proefwerk, ik had dus wel een paar foutjes gemaakt.
A
hyperbool
B
eufemisme
C
understatement
D
opsomming

Slide 27 - Quiz

Je wordt doodgegooid met informatie over de verkiezingen.
A
hyperbool
B
eufemisme
C
understatement
D
tegenstelling

Slide 28 - Quiz

De dierenarts kreeg het kleine dier met de grootste moeite in slaap.
A
hyperbool
B
eufemisme
C
understatement
D
tegenstelling

Slide 29 - Quiz

Wat ben jij een miezerig, vervelend, irritant, misselijk ventje.
A
tegenstelling
B
eufemisme
C
understatement
D
opsomming

Slide 30 - Quiz

Is dit ironie, sarcasme of cynisme?
A
ironie
B
sarcasme

Slide 31 - Quiz

Welke zinnen bevatten ironie?
A
Jippie! Vandaag gaat de les over ironie.
B
Denk je echt dat je met dat cijfer overgaat?
C
Nou, het is me wat moois.
D
Vandaag gaat de les over tekstsoorten

Slide 32 - Quiz

Cursus 4 Paragraaf 5

Slide 33 - Slide

metoniem
Stijlfiguur waarbij in plaats van het bedoelde, iets anders wordt genoemd:
-Nederland won met 2-0.  (i.p.v. het Nederlandse elftal)
-Doe mij nog maar een bakkie.  (i.p.v. kopje koffie)
-Mijn oma heeft een Van Gogh in huis hangen. (i.p.v. een schilderij van Vincent van Gogh)

Slide 34 - Slide

Synesthesie
Een synesthesie is een combinatie van indrukken van verschillende zintuigen. Synesthesie kan worden gezien als een bijzondere vorm van de metafoor.

Slide 35 - Slide

Metafoor of metoniem?
Met carnaval heeft hij te diep in het glaasje gekeken.
A
metafoor
B
metoniem

Slide 36 - Quiz

metafoor of metoniem?
Iemand een veilige haven bieden
A
metafoor
B
metoniem

Slide 37 - Quiz

Met zo'n diploma gaan alle deuren voor je open.
A
Metafoor
B
Metoniem

Slide 38 - Quiz

Vergelijking (met als)
Personificatie
Synesthesie
Metafoor
Die zoon van jou wordt een boom van een vent.

Slide 39 - Drag question

Vergelijking (met als)
Personificatie
Synesthesie
Metafoor
Die beer was te groot om van de glijbaan te gaan.

Slide 40 - Drag question

Vergelijking (met als)
Personificatie
Synesthesie
Metafoor
Metonymia
Als het vriest, bind ik mijn ijzers onder.

Slide 41 - Drag question