H3 herhaling leesvaardigheid


Welkom 
H3!
1 / 32
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson


Welkom 
H3!

Slide 1 - Slide

Programma
  1. 10 minuten lezen
  2. Oefenen leesvaardigheid
  3. Afsluiting en vooruitblik

Slide 2 - Slide

10 minuten lezen

Slide 3 - Slide

Welke tekstsoort hoort niet in het rijtje thuis?
A
discussiestuk
B
betoog
C
beschouwing
D
uiteenzetting

Slide 4 - Quiz

MIDDENSTUK
INLEIDING
SLOT
Aanleiding v/d tekst
Voorbeeld bij het onderwerp
Leuk, kort verhaaltje bij het onderwerp
Belangrijke vraag
Mening
Opbouw v/d tekst
Deelonderwerpen uitgebreid besproken
Hoofdgedachte v/d tekst
Advies
Conclusie
Samenvatting
Toekomstverwachting
Antwoord op vraag

Slide 5 - Drag question

In een informerende tekst staan feiten en meningen.
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quiz

Wat vind je (meestal) niet terug in een beschouwende tekst?
A
de mening van de schrijver
B
meningen van deskundigen
C
een oplossing voor een probleem
D
oorzaken van een probleem

Slide 7 - Quiz

Waar of niet waar?
Een activerende tekst lijkt op een overtuigende tekst, maar het gaat een stapje verder: de schrijver wil niet alleen dat je het met hem/haar eens bent, hij/zij wil ook dat je iets (niet) gaat DOEN.
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quiz

In welke tekstsoort staan voornamelijk feiten?
A
overtuigende tekst
B
beschouwende tekst
C
activerende tekst
D
informerende tekst

Slide 9 - Quiz

Iedere schrijver heeft een schrijfdoel. Bij elk schrijfdoel horen verschillende tekstsoorten. Sleep het juiste doel naar de bijbehorende tekstsoort.
Activeren
Amuseren
Overtuigen
Informeren

Slide 10 - Drag question

Stelling, argument, tegenargument, aanbeveling en samenvatting zijn voorbeelden van
A
signaalwoorden
B
verbindingswoorden
C
kernwoorden
D
functiewoorden

Slide 11 - Quiz


 Welke twee signaalwoorden zitten er in deze tekst?
A
ze - aan
B
aan - met
C
toen - haal
D
eerst - toen

Slide 12 - Quiz

In stap 2 staat een
signaalwoord voor tijd.
Welk signaalwoord is dat?

Slide 13 - Open question

In de laatste zin van alinea 2 staan 2 signaalwoorden. Schrijf de signaalwoorden op.

Slide 14 - Open question

In alinea 2 staan twee signaalwoorden.
Schrijf de signaalwoorden op.

Slide 15 - Open question

Welk functiewoord
hoort bij deze tekst?
A
aanbeveling
B
constatering
C
probleemstelling
D
uitwerking

Slide 16 - Quiz

Wat is het doel?
Snelle recepten: in 15 minuten op tafel!
A
informeren
B
activeren
C
overtuigen
D
amuseren

Slide 17 - Quiz

Wat is het doel?
Mag ik je pasfoto? Ik spaar natuurrampen.
A
informeren
B
activeren
C
overtuigen
D
amuseren

Slide 18 - Quiz

Wat is het doel?
Dit is waarom sociale media een slechte invloed op jongeren heeft.
A
informeren
B
activeren
C
overtuigen
D
beschouwen

Slide 19 - Quiz

Wat is het doel?
112, daar red je levens mee.
A
informeren
B
activeren
C
beschouwen
D
amuseren

Slide 20 - Quiz

Wat is het doel?
Vier uur Cup-a-Soup. Dat zouden meer mensen moeten doen.
A
informeren
B
activeren
C
beschouwen
D
amuseren

Slide 21 - Quiz

Wat is het doel?
Hier ligt Poot, hij is dood.
A
informeren
B
activeren
C
beschouwen
D
amuseren

Slide 22 - Quiz

Wat is het doel?
Duits vliegtuig bombardeert per ongeluk Nederlands schip.
A
informeren
B
activeren
C
overtuigen
D
amuseren

Slide 23 - Quiz

Wat is het doel?
Nexit, goed idee of niet?
A
informeren
B
activeren
C
beschouwen
D
overtuigen

Slide 24 - Quiz

Op welke 4 punten moet je letten als het gaat om de betrouwbaarheid van een tekst?

Slide 25 - Mind map

Welke bronnen zijn betrouwbaar? 
Zet de bronnen in de juiste categorie.
Niet betrouwbaar
Betrouwbaar
Soms betrouwbaar, soms niet
www.broodjeaap.nl
NRC (een krant)
een tekst op Facebook
Quest (tijdschrift)
www.nos.nl
Privé (tijdschrift)

Slide 26 - Drag question

In welke van onderstaande tekstsoorten kom je een mening tegen?
A
activerende tekst
B
amuserende tekst
C
betogende tekst
D
beschouwende tekst

Slide 27 - Quiz

In welke van onderstaande tekstsoorten kom waarschijnlijk je geen mening tegen?
A
activerende tekst
B
amuserende tekst
C
betogende tekst
D
beschouwende tekst

Slide 28 - Quiz

Waar of niet waar?
Feitelijke uitspraken kun je controleren.
A
waar
B
niet waar

Slide 29 - Quiz

Hoe vind je een hoofdzaak in een tekst?
A
Door voorbeelden op te schrijven.
B
Door de uitleg op te schrijven.
C
Door de grappige weetjes op te schrijven.
D
Door de titel, inleiding en kernzinnen te lezen.

Slide 30 - Quiz

Hoofdzaak
Bijzaak
Voorbeeld
Extra uitleg
Details
Kernzin
Deelonderwerpen
Inleiding
Grappige weetjes
Tekstdoel

Slide 31 - Drag question

Afsluiting en vooruitblik
Volgende les: 
  • Huiswerk: -
  • Meenemen: leesboek, schrift, pen en LAPTOP
  • Programma: spreekvaardigheid

Slide 32 - Slide