Opdracht A
- Onderstreep in de tekst alle werkwoorden.
- Kies 9 werkwoorden uit de tekst en vul daarmee het schema in.
Opdracht B
- Vul het schema in. Gebruik de volgende werkwoorden:
1. tekenen 6. meppen
2. vouwen 7. draaien
3. mixen
4. afwassen *8. flupsen
5. verven *9. vroeijen