Materialen: Schrift NE/TA voor antwoorden werkblad.
Slide 4 - Slide
LESDOEL(EN)
Ik kan lidwoorden en zelfstandige naamwoorden herkennen.
Slide 5 - Slide
LIDWOORD
Staat voor een zelfstandig naamwoord.
Zijn maar drie woorden: de, het en een.
De felle lamp van lieve Imke brandt dag en nacht. Gisteren liep er een dikke koe door de mooie kamer van Annie. Over ruim een week vieren we een dikke fissa in het park.
Let op het verschil tussen één en een!
Slide 6 - Slide
ZELFSTANDIG NAAMWOORD
Een woord dat een zelfstandigheid aanduidt. ‘Namen van mensen, dieren en dingen.’
ZN waar je wel eenlidwoord voor kunt zetten:
- Een persoon, dier of ding (man, vrouw, oom, hond, plant, berg).
- Een gebeurtenis (ontvoering, feest).
- Een plaats (kantoor, wei).
- Niet-concrete dingen (geluk, warmte).
Slide 7 - Slide
ZELFSTANDIG NAAMWOORD
ZN waar je geen lidwoord voor kunt zetten:
- Eigennamen (Jip, Frenkie, Apple, Nijnsel). - Namen van een individuele zaak, plaats, dier of mens. - In meeste gevallen met hoofdletter.
Slide 8 - Slide
CHECK
Schrijf de lidwoorden en zelfstandige naamwoorden op:
lw: ....
znw: ....
Sarah duwt haar docent van zijn stoel.
Slide 9 - Slide
VERWERKING
Volgende blad in 'leswerk'.
Werk op de volgende manier:
4. lw: de, een
znw: paard, appelsap
Klaar? Laten nakijken door docent en extra oefenen via NUMO.
Slide 10 - Slide
VOLGENDE LES
Huiswerk: Werkblad woordsoorten (3) via Teams 2022 m1c ta -> Kanaal 'Grammatica - woordsoorten' -> Bestanden -> Lesmateriaal -> Huiswerk.
Antwoorden in schrift NE, werk op dezelfde manier als je tijdens de les hebt gedaan.