2BK Duits

2BK Duits

Je werkt met een reader "Ich und meine Familie"
Eind van deze reader heb je een proefwerk.
Middels deze LessonUp ga jij je voorbereiden op het proefwerk.
Doel: Je kent de basis van de Duitse taal en kunt over jezelf en je familie vertellen


1 / 30
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo lwoo, b, kLeerjaar 2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 3 min

Items in this lesson

2BK Duits

Je werkt met een reader "Ich und meine Familie"
Eind van deze reader heb je een proefwerk.
Middels deze LessonUp ga jij je voorbereiden op het proefwerk.
Doel: Je kent de basis van de Duitse taal en kunt over jezelf en je familie vertellen


Slide 1 - Slide

Leerwerk Duits proefwerk 1
- Woordjes uit je reader (p. 3+4)
- Grammatica uit je reader (p.5)
- Schrijven: In het Duits en in hele zinnen antwoord schriftelijk antwoord kunnen geven (reader p.9)
- Lezen: tekst lezen en vragen beantwoorden Lezen in het Duits: Duitse teksten voor beginners

Slide 2 - Slide

Woordjes leren
 Woordjes uit je reader (p. 3+4)
Begin op tijd met leren. 

Leer op een dag niet teveel, maar in kleine porties. Begin met 5 woorden, herhaal die de komende dag en pak er 5 nieuwe erbij (tot je de woordenlijst geheel kent)







Begin op tijd met leren. 



Leer op een dag niet teveel, maar in kleine porties. Begin met 5 woorden, herhaal die de komende dag en pak er 5 nieuwe erbij (tot je de woordenlijst geheel kent)

Slide 3 - Slide

Grammatica leren
Grammatica uit je reader p. 5

De werkwoorden haben en sein moet je kunnen vervoegen.
Feesttenten (werkwoorden vervoegen)







De werkwoorden haben en sein moet je kunnen vervoegen



Feesttenten (werkwoorden vervoegen)

Slide 4 - Slide

Haben en sein vervoegen
zijn= sein                                               hebben= haben

ik ben- ich bin                                      ik heb- ich habe
 jij bent- du bist                                    jij hebt- du hast
hij/zij/het is- er/sie/es ist                   hij/zij/het heeft- er/sie/es hat
wij zijn- wir sind                                         wij hebben- wir haben
jullie zijn- ihr seid                                    jullie hebben- ihr habt
U bent/ zij zijn- Sie/sie sind                         U heeft/ zij hebben- Sie/sie haben

Slide 5 - Slide

Vervoeg het werkwoord sein:
_______ du 12 Jahre alt?
A
ist
B
bist
C
sind
D
seid

Slide 6 - Quiz

Vervoeg het werkwoord sein:
Ihr ______ eine tolle Klasse!
A
ist
B
bin
C
seid
D
sind

Slide 7 - Quiz

Vervoeg het werkwoord sein:
Frau Schmidt, _______ Sie da?
A
bin
B
bist
C
sind
D
seid

Slide 8 - Quiz

Vervoeg het werkwoord sein:
Wir ______ die Klasse 2BK1.
A
seid
B
sind
C
ist
D
bin

Slide 9 - Quiz

Vervoeg het werkwoord sein:
Tina und Timo ______ Freunde.
A
sind
B
ist
C
bin
D
bist

Slide 10 - Quiz

Vervoeg het werkwoord sein:
Ich _____ gut in Deutsch!
A
ist
B
bin
C
seid
D
sind

Slide 11 - Quiz

Vervoeg het werkwoord sein:
Es _____ schönes Wetter!
A
sind
B
bist
C
ist
D
seid

Slide 12 - Quiz

Vervoeg het werkwoord sein:
____ du im Kino gewesen?
A
ist
B
seid
C
sind
D
bist

Slide 13 - Quiz

Vervoeg het werkwoord haben:
Du _____ morgen Geburtstag.
A
habe
B
hast
C
habt
D
haben

Slide 14 - Quiz

Vervoeg het werkwoord haben:
Ich _____ keine Lust.
A
hast
B
habe
C
haben

Slide 15 - Quiz

Vervoeg het werkwoord haben:
Er ______ eine kleine Schwester.
A
habe
B
hast
C
haben
D
hat

Slide 16 - Quiz

Vervoeg het werkwoord haben:
_____ ihr Lust auf Ferien?
A
habe
B
habt
C
haben

Slide 17 - Quiz

Vervoeg het werkwoord haben:
Sie (u) ______ eine schöne Tasche!
A
hast
B
habe
C
haben

Slide 18 - Quiz

Vervoeg het werkwoord haben:
Wir _______ jetzt Deutsch!
A
hast
B
habt
C
haben
D
habe

Slide 19 - Quiz

Vervoeg het werkwoord haben:
Tina _____ Husten.
A
hast
B
hat
C
habt

Slide 20 - Quiz

Veervoeg het werkwoord haben:
Tim und Tina _____ Hunger!
A
hast
B
habt
C
haben
D
hat

Slide 21 - Quiz

Feesttenten (ww vervoegen)
Kijk naar de video in de volgende slide!
Stap 1: schrijf de stam op ( haal en van het werkwoord weg)
Stap 2: zoek de persoon in de zin (ich, du, wir etc.)
Stap 3: zoek in de feesttenten naar de juiste uitgang en plak dit aan de stam

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

spielen:
Ich ________ Fußball.
A
spielen
B
spiele
C
spielt

Slide 24 - Quiz

machen:
Ihr ________ das toll!
A
mache
B
machen
C
machst
D
macht

Slide 25 - Quiz

hören:
_______ Sie Musik?
A
höre
B
hört
C
hören
D
hörst

Slide 26 - Quiz

tanzen:
__________ ihr gern?
A
tanzen
B
tanzt
C
tanze

Slide 27 - Quiz

Schrijven
Ik kan in het Duits en in hele zinnen schriftelijk antwoord geven (reader p.9).
1.Wer bist du? Ich bin Nils. Mein Name…/ Ich heiße….
2. Wie alt bist du? Ich bin dreizehn Jahre alt.
3. Wo wohnst du? Ich wohne in Almelo/ Ich wohne Geesteren.
4.Was ist deine Adresse? Meine Adresse ist Waterland 200.
5.Wie heißen deine Eltern und wie alt sind sie? Meine Mutter heißt Sandra und 31 Jahre alt. Mein Vater heißt Bernd und ist 35 Jahre alt.
6.Hast du Geschwister? Wie heißen sie und wie alt sind sie?
Ich habe eine Schwester. Sie ist achtzehn Jahre alt.
Ich habe einen Bruder. Er ist zwanzig Jahre alt.
Ich habe keine Geschwister.

Slide 28 - Slide

Lezen
- Lezen: tekst lezen en vragen beantwoorden Lezen in het Duits: Duitse teksten voor beginners: volgende slide!

Let op: om de grammatica nog verder te oefenen kun je extra werkbladen van me krijgen! Geef dit dan aan me door!

Succes!

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Link