Examen Schrijven 3F

Examen Schrijven 3F
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 3

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Examen Schrijven 3F

Slide 1 - Slide

Je examen schrijven wordt beoordeeld aan de hand van 6 aspecten.

Welke aspecten zijn dit?
A
Afstemming op doel Afstemming op publiek
B
Leesbaarheid Spelling, interpunctie en grammatica
C
Samenhang Woordenschat en woordgebruik
D
Antwoord A, B en C zijn allemaal correct.

Slide 2 - Quiz

Welke onderdelen zijn belangrijk voor het examen schrijven?
A
spelling
B
lezen
C
grammatica
D
luisteren

Slide 3 - Quiz

Wat is de functie van de kern?
A
Vat de tekst samen
B
Het onderwerp wordt toegelicht d.m.v. deelonderwerpen
C
De schrijver verteld zijn mening
D
Meningen van andere worden toegelicht

Slide 4 - Quiz

In de kern staat?
A
De conclusie
B
Het onderwerp
C
De deelonderwerpen
D
De samenvatting

Slide 5 - Quiz

Wat is belangrijk voor de samenhang in een betoog?
A
signaalwoorden
B
goede kernzin
C
logische redenering
D
de inleiding

Slide 6 - Quiz

De samenhang van een boodschappenlijstje is
A
opsomming
B
chronologie
C
tegenstelling
D
doel-middel

Slide 7 - Quiz

Een inleiding kan verschillende functies hebben. Wat is geen functie van een inleiding?
A
onderwerp aangeven
B
voorbeeld geven
C
vraag stellen
D
samenvatting geven

Slide 8 - Quiz

Boven de inleiding zet ik 'inleiding'.
A
Ja
B
Nee
C
Mag, hoeft niet

Slide 9 - Quiz

Wat is 'een samenhangend verhaal' ?
A
een verhaal dat ergens bij past
B
een spannend verhaal
C
een verhaal met logische verbanden
D
een makkelijk te lezen verhaal

Slide 10 - Quiz

Tussenkopjes worden gebruikt om...
A
De leesbaarheid van de tekst te verhogen
B
Aan te geven waar de titel over gaat

Slide 11 - Quiz

In de kern schrijf je
A
je conclusie
B
je inleiding
C
het onderwerp van je betoog
D
argumenten

Slide 12 - Quiz

Wat staat er onder de tussenkopjes?
A
Nieuwe informatie
B
Deelonderwerpen
C
Deelkopjes
D
Een nieuw onderwerp

Slide 13 - Quiz

Wat is het belangrijkste als je tijdens je examen een artikel moet schrijven?
A
een titel, witregels en dat je alles uit de opdracht beschrijft
B
dat je geen fouten maakt
C
een titel en het slot
D
een titel en witregels

Slide 14 - Quiz

Welke woorden horen bij samenhang?

A
Lay-out, gedachtegang en signaalwoorden.
B
Inleiding, kern, slot, tekststructuur en relaties.
C
Tekststructuur, tekstopbouw, alineagebruik, signaal - en verwijswoorden.

Slide 15 - Quiz

In het slot...
A
herhaal je je standpunt + argument(en)
B
noem je al je argumenten
C
geef je nieuwe informatie

Slide 16 - Quiz

Als er 'dus' in het slot staat, wat zal dan waarschijnlijk de functie van het slot zijn?
A
Een advies geven
B
Een conclusie geven
C
Een vraag stellen
D
Een opsomming geven

Slide 17 - Quiz

Wat zijn tussenkopjes?
A
de titel van een tekst
B
geeft aan waar de tekst over gaat
C
geeft aan waar één alinea over gaat
D
geeft aan waar één of een groepje alinea's over gaat

Slide 18 - Quiz

Wat is een tekststructuur?
A
Het is de opbouw van de alinea's in een tekst
B
het is een manier om een tekst in te delen.
C
inleiding-middenstuk-slot
D
De nummers van de alinea's en zinnen

Slide 19 - Quiz

Functies van de inleiding:
Wat is een functie van de inleiding?
A
Conclusie geven
B
Centrale vraag stellen
C
Waarschuwing geven
D
mening van de schrijver te geven

Slide 20 - Quiz

Wat is samenhang?
A
Weet ik niet.
B
Er is een inleiding, kern en slot
C
Je hangt dingen samen op.
D
Zinnen en alinea's hebben met elkaar te maken.

Slide 21 - Quiz

Functies van het slot.
Wat is een functie van het slot?
A
de centrale vraag stellen
B
Een advies geven
C
Een samenvatting geven.
D
enkele personen introduceren.

Slide 22 - Quiz

INLEIDING
KERN
SLOT
Aanleiding voor het schrijven van het artikel
Argument(en) + onderbouwing
Je belangrijkste boodschap
Naam van de krant + datum artikel
Een zin om de lezer te prikkelen en waarover de lezer na blijft denken.
Feiten, cijfers, voorbeelden
Conclusie

Slide 23 - Drag question

Wat is geen ingezonden brief?
A
reactie op een krant
B
folder die je wekelijks ontvangt
C
reactie op een artikel
D
reactie in een tijdschrift

Slide 24 - Quiz

Een ingezonden brief is
A
Objectief
B
Subjectief

Slide 25 - Quiz

Een ingezonden brief is een..
A
amuserende tekst
B
overtuigende tekst
C
Aansporende tekst
D
Uitleggende tekst

Slide 26 - Quiz

Herhaling. 


De zakelijke mail ziet er zo uit....

Slide 27 - Slide

Wat moet je altijd zelf invullen bij een zakelijke mail?
A
het onderwerp
B
de aanhef
C
de datum
D
je eigen adres

Slide 28 - Quiz

Je schrijft een e-mail aan de klantenservice van Belmobiel.nl. Hoe begin je de e-mail?
A
Geachte Belmobiel,
B
Beste mevrouw/heer,
C
Beste lezer,
D
Hallo!

Slide 29 - Quiz

Een zakelijke e-mail is
A
formeel.
B
informeel.

Slide 30 - Quiz

Je hebt een e-mail geschreven. Hoe sluit je de e-mail goed af?
A
Met vriendelijke groet, Jan Steen
B
Met vriendelijke, groet, Jan Steen
C
Met vriendelijke groet Jan, Steen
D
Met vriendelijke, groet Jan steen

Slide 31 - Quiz

De ontvanger van een e-mail kan niet reageren op iemand die dezelfde e-mail in BCC heeft ontvangen.
A
waar
B
niet waar

Slide 32 - Quiz

Het examen Schrijven 3F
A
Ik ben klaar voor
B
Ik ga nog wat oefenen
C
Ik ben er klaar voor, maar oefen toch verder
D
Ik weet eigenlijk niet of ik er klaar voor ben

Slide 33 - Quiz

Succes!
SUCCES!

Slide 34 - Slide