wk.14 Gedichten, stijlfiguren en beeldspraak

Welkom 
Nederlands

Je legt klaar:

Leesboek
Boek Nieuw Nederlands
Schrift
1 / 39
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Welkom 
Nederlands

Je legt klaar:

Leesboek
Boek Nieuw Nederlands
Schrift

Slide 1 - Slide

Tekst
timer
10:00

Slide 2 - Slide


Pak je lesboek Nieuw Nederlands en je schrift :
TH. blz. 79
HA. blz. 85
A blz. 81

timer
1:30

Slide 3 - Slide


Pak je lesboek Nieuw Nederlands en je schrift :
TH. blz. 79
HA. blz. 85
A blz. 81
Pak je laptop en log in bij de Lessonup!
timer
1:30

Slide 4 - Slide

Periode 3

  • Week 14:          Start les Gedichten, beeldspraak en stijlfiguren.
  •                              Beoordelingsformulier recensie/betoog
  • Week 15:          Gedichten
  • Week 16:           Lezen en Woordenschat

Slide 5 - Slide

Lesplanning
  • Eigen leesboek lezen/ Leesboek reserveren in de online bibliotheek.
  • Website: www.bibliotheektwente.nl
  • Log in met je leerlingnummer en eigen wachtwoord.
  • Zoek een boek op titel of naam van de auteur.
  • Zoek een boek bij 'aanwinsten'.

Slide 6 - Slide

Lesdoel
  • Je leert over beeldspraak in gedichten.
  • Je herkent beeldspraak: personificatie, vergelijking en metafoor.
  • Je kan beeldspraak zelf toepassen.


Slide 7 - Slide

Slide 8 - Link

kenmerken gedicht

Slide 9 - Mind map

wat is een gedicht?

Slide 10 - Slide

Gedichten

Slide 11 - Slide

Gedichten

Slide 12 - Slide

Gedichten
Oorlog aan tafel
Mijn vader werpt woorden
als bommen over mijn moeder
haar bord. Met alle geweld
kaatst zij zoveel kilte terug dat
zelfs mijn oorlogszuchtige zusje
er stil van wordt. Er hangen doden
in de lucht, grote doden, ten minste
twee. Ik, vriend noch vijand, zoek
dekking achter een heuveltje
aardappelpuree.
Erik van Os, in: Ted van Lieshout (red.), Ik wil een naam van chocola. Querido, Amsterdam 2009

Slide 13 - Slide

Gedichten 
klank & ritme
beeldspraak
Vorm

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

Klank en ritme 

Slide 16 - Slide

Beeldspraak
  • Figuurlijk taalgebruik
  • personificatie

Slide 17 - Slide

Personificatie

  • een levenloos ding voor als een persoon,
  • dit krijgt menselijke eigenschappen

  • De zon streelde onze wangen.
  • Schreeuwende kleuren.
  • Zuchtend en kreunend kwam mijn auto tot stilstand.

Slide 18 - Slide

De wind huilt...
A
metafoor
B
personificatie
C
vergelijking

Slide 19 - Quiz

Beeldspraak
  • De vergelijking
  • Object  en  (subject) beeld

  • Bij een vergelijking hoort meestal het woordje 'als' of 'lijkt'.
  • Zo sterk als een beer.

  • Je lijkt wel een verzopen hond. 

  • Wat een vuile hond, ben jij!
Zo blind als een...

Slide 20 - Slide

Je kamer ziet eruit als...
een zwijnenstal!

Slide 21 - Slide

Zo doof als een...
A
kabouter
B
spin
C
mol
D
kwartel

Slide 22 - Quiz

Mijn opa was zo rond als een tonnetje!
Bij een vergelijking heb je....
A
een object (de werkelijkheid) en een subject (beeld)
B
alleen maar een beeld
C
een kenmerk van een persoon op een levenloos ding

Slide 23 - Quiz

De metafoor
  • Het object (de werkelijkheid) wordt  vervangen door het beeld. 
  • Het is er nog wel, maar wordt niet genoemd, je moet het figuurlijk zien:

  • Het schip der woestijn (kameel)
  • Het leven is een weg met kuilen en hobbels.
  • Haar ouderlijk huis is nog steeds een veilige haven.

Slide 24 - Slide

Beeldspraak
  •  figuurlijke betekenis. 

  • Er is sprake van een overeenkomst tussen een object (wat is dat?) en het beeld

  • Goede beeldspraak maakt een (gesproken)tekst mooier,

  • Duidelijker en krachtiger.

Slide 25 - Slide

In de zin "Zij is een koele kikker"
is gebruik gemaakt van beeldspraak.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 26 - Quiz

Als iemand zegt:
"Hij spring een gat in de lucht",
dan is dat letterlijk bedoeld.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 27 - Quiz

Beeldspraak is altijd figuurlijk.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 28 - Quiz

Letterlijk of figuurlijk?
Die man heeft een gat in zijn hand, zoveel geld geeft hij uit.
A
LETTERLIJK
B
FIGUURLIJK

Slide 29 - Quiz

Vergelijking of metafoor?

Wat een klier van een vent is die Peter toch!
A
metafoor
B
vergelijking

Slide 30 - Quiz

Vergelijking of metafoor?

Voetbal is oorlog.
A
metafoor
B
Vergelijking

Slide 31 - Quiz

Vergelijking of metafoor?

Hij is een wandelende encyclopedie.

A
vergelijking
B
metafoor

Slide 32 - Quiz

Vergelijking of metafoor?

Haar ogen stralen als sterren.

A
vergelijking
B
metafoor

Slide 33 - Quiz

.....aan de slag
T/H:  Lees de theorie op blz. 78.
           Cursus 3 Fictie, paragraaf 5, opdracht 2 en 4 (blz. 79)
H/A:  Lees de theorie op blz. 83.
           Cursus 3, paragraaf 5, opdracht 3, 5 en 6 (blz. 85)
A:  Lees de theorie op blz. 81.
       Cursus 3 Fictie, paragraaf 5, opdracht 2, 4 en 6.
Zoek een Nederlandstalige songtekst  en neem deze uitgeprint mee naar de les morgen.

Slide 34 - Slide

Opdracht Gedichten
Luister naar onderstaande nummers en zoek de songteksten op.

1) Lente Me, Toon Hermans, 1993
2) Mag ik dan bij jou, Claudia de Breij, 2010
3) Ik wou dat ik jou was, Veldhuis en Kemper, 2003   

Je slaat één songtekst op en je beantwoordt vervolgens de volgende vragen...



Slide 35 - Slide

Opdracht bij songtekst
Noteer onder de songtekst de antwoorden op de volgende vragen:

1. Onderstreep de woorden die rijmen. 
2. Welke woorden of letters worden herhaald? Herken je een ritme?
3. Welke beeldspraak (personificatie, vergelijking of metafoor) kun je vinden?
4. Waar gaat het nummer volgens jou over?





Slide 36 - Slide

Spelling
Cursus 7 Spelling: Par. 8 Mixopdrachten
TH: Maak opdr. 1 t/m 4, 5 t/m 7
HA/A: Maak opdr. 1 t/m 5, 5 t/m 10

Slide 37 - Slide

Opdracht
  • Onderstreep de woorden die jou aanspreken in de tekst.
  • Noteer ze op het 'woordwolk'  blad.
  • Bedenk er rijmwoorden bij.
  • Bedenk minimaal 2 vergelijkingen.
  • Bedenk minimaal 2 personificaties.
  • Bedenk minimaal 2 metaforen.
  • Schrijf je eigen gedicht.

Slide 38 - Slide

Opdracht
1. Welk rijmschema heken jij in dit nummer?
2. Kun je alliteratie in het nummer vinden? Zo ja, geef voorbeelden.
3. Kun je assonantie in het nummer vinden? Zo ja, geef voorbeelden.
4. Welke beeldspraak (vergelijking of metafoor) kun je vinden?
5. Welke stijlfiguren (opsomming, herhaling, tegenstelling en overdrijving) kun je vinden?
6. Waar gaat het nummer volgens jou over?

Klaar? Bespreek je bevindingen in groepjes of in duo's. 



Slide 39 - Slide