3tna 26/2 Spelling herhaling leerjaar 2

Log alvast in op LessonUp en maak
de startopdracht (vraagteken).
Tijd over? Begin alvast aan cursus 7.1 
in je online boek.
§1 Herhaling leerjaar 2
Voordat we beginnen:
WELKOM 3TN
timer
5:00
SPELLING
Schrijf de zin goed over. Er staan nu drie fouten in.

'De afgelopen Winter is de warmste die in honderd vijftig jaar is gemeten in West-europa.'
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Log alvast in op LessonUp en maak
de startopdracht (vraagteken).
Tijd over? Begin alvast aan cursus 7.1 
in je online boek.
§1 Herhaling leerjaar 2
Voordat we beginnen:
WELKOM 3TN
timer
5:00
SPELLING
Schrijf de zin goed over. Er staan nu drie fouten in.

'De afgelopen Winter is de warmste die in honderd vijftig jaar is gemeten in West-europa.'

Slide 1 - Slide

  • Je kunt hoofdletters en leestekens op de juiste manier gebruiken.
  • Je kunt meervouden en verkleinwoorden goed spellen.
  • Je weet hoe je een citaat schrijft.
Lesdoelen

Slide 2 - Slide

1. Startopdracht bespreken.
2. Spelling leerjaar 2 herhalen
in LessonUp.
3. Check in LessonUp.
4. Digitaal oefenen.
5. Terugblikken en afronden.

Wat gaan we vandaag doen?

Slide 3 - Slide

Startopdracht
'De afgelopen Winter is de warmste die in honderd vijftig jaar is gemeten in West-europa.'
'De afgelopen winter is de warmste die in honderdvijftig jaar is gemeten in West-Europa.'

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

In welke situaties gebruik je een hoofdletter? Noem er één.

Slide 6 - Mind map

Hoofdletters
  • Waarom gebruiken we eigenlijk hoofdletters?
  • In welke situaties gebruiken we  hoofdletters?

Slide 7 - Slide

Hoofdletters
  • Aan het begin van elke zin:
    In het najaar kleuren bladeren de straat oranje en geel.
  • Bij namen van mensen, dieren of dingen. Emiel, Bijlsmastraat, Leeuwarden, Mercedes. 
  • Bij woorden die van namen zijn afgeleid
Je schrijft hoofdletters:

Slide 8 - Slide

HOOFDLETTERS
  • Je begint iedere zin met een hoofdletter.
  • Namen schrijf je ook met een hoofdletter. 
  • Merknamen schrijf je met een hoofdletter. 
  • Aardrijkskundige namen schrijf je met een hoofdletter. 
  • Feestdagen schrijf je met een hoofdletter.
Het maakt het lezen van een tekst makkelijker en je kunt het beter begrijpen. 

  • Namen van maanden, dagen van de week, windstreken en seizoenen schrijf je NIET met een hoofdletter.

Slide 9 - Slide

Hoofdletter bij woorden die van namen zijn afgeleid
Bij woorden die van namen (van landen) zijn afgeleid  gebruik je een hoofdletter.
  • Amerikaanse president
  • Engelse drop
Ook bij volken, talen of dialecten gebruik je een hoofdletter.
  • Fransman
  • Limburgs dialect

Slide 10 - Slide

Welk woord hoor je met een hoofdletter te schrijven?

helaas is de intertoys vorig jaar failliet gegaan.
A
helaas
B
intertoys
C
jaar
D
failliet

Slide 11 - Quiz

Plaats zo nodig hoofdletters, komma's en leestekens.

het vliegveld van het spaanse eiland is afgesloten

Slide 12 - Open question

Leestekens (. ! ?)
Leestekengebruik is belangrijk! Het zorgt ervoor dat je tekst soepel leest.

Slide 13 - Slide

In welke situaties gebruik je een uitroepteken? Noem er één.

Slide 14 - Mind map

Leestekens
Een zin eindigt met een leesteken:

  • Punt (gewone zin): De deelnemers presenteren hun act.
  • Vraagteken (vraagzin): Zijn ze erg zenuwachtig?
  • Uitroepteken (uitroep): Doe je best!

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Link

Meervouden
Als er van iets één is, noem je dat enkelvoud. Als er van iets meer dan één is, noem je dat meervoud.

Zo maak je een meervoud:

Je maakt van een zelfstandig naamwoord meestal een meervoud door
-en of -s achter het woord te zetten: vriend → vrienden; schrift → schriften; kerel → kerels; wielrenner → wielrenners.

Slide 17 - Slide

Let op!
Soms moet je daarnaast nog:
Een -f- in een -v- veranderen (de f/v-regel): brief → brieven; hof → hoven.
Een -s- in een -z- veranderen (de s/z-regel): gans → ganzen; paleis → paleizen.
De laatste letter (medeklinker) verdubbelen: jas → jassen; pit → pitten.
Een a, e, o of u (klinker) weghalen: muur → muren; heer → heren.

Gebruik bij twijfel een (online) woordenboek of woordenlijst.

Slide 18 - Slide

Meervoud op -en
Meervoud op -s
pepernoot
tennisracket
handschoen
Airpod

Slide 19 - Drag question

Sleep de uitgangen naar het juiste woord om er een verkleinwoord van te maken. 
scherm
snoep
scooter
pizza
rekening
-atje
-tje
-etje
-pje
-je

Slide 20 - Drag question

Verkleinwoord met PJE
Verkleinwoord met TJE
Verkleinwoord met JE
boom
telefoon
broer
riem
film
raam
tafel
haar
hand
fiets
verkleinwoord

Slide 21 - Drag question

In welke situaties gebruik je een citaat? Noem er één.

Slide 22 - Mind map

Citaat

Als je opschrijft wat iemand zegt, heet dat een citaat.


Een citaat staat tussen aanhalingstekens:


"Citaat."



Slide 23 - Slide

Citaat

Slide 24 - Slide

Citaat

Slide 25 - Slide

Aan het werk
Wat?
Cursus 7.1 Herhaling leerjaar 2.
BasisMaak opdracht 1 t/m 6
Kader: Maak opdracht 1 t/m 6.
In je online boek.
Hoe?
Keuze: zelfstandig of in stilte.
Hulp
Oogje.
Tijd
Timer.
Klaar?
Werk alvast verder aan paragraaf 7.2.
timer
10:00

Slide 26 - Slide

  • Je kunt hoofdletters en leestekens op de juiste manier gebruiken.
  • Je kunt meervouden en verkleinwoorden goed spellen.
  • Je weet hoe je een citaat schrijft.
Lesdoelen

Slide 27 - Slide

Maak een zin waarin minimaal drie hoofdletters voorkomen.

Slide 28 - Open question

Maak een zin waarin een meervoudsvorm en een verkleinwoord voorkomen.

Slide 29 - Open question

Maak een zin waarin een citaat voorkomt. Let op je spelling!

Slide 30 - Open question

Wat vond je van de indeling van deze les?
Noem iets positiefs en iets wat je
de volgende keer anders wilt zien.

Slide 31 - Open question