24/25 27 maart

Programma
Lesson up - quiz
Zelfstandig werken (voorbereiden TW 3)
1 / 35
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Programma
Lesson up - quiz
Zelfstandig werken (voorbereiden TW 3)

Slide 1 - Slide

Kies het juiste woord en vertaal:
Tu vas (répondre à/oser) mon message?

Slide 2 - Open question

Kies het juiste woord en vertaal:
(la nausée/la cuillère) est insupportable, je vais vomir!

Slide 3 - Open question

Vous toussez beaucoup! Vous êtes ..... malade!
A
en forme
B
probablement
C
cogné
D
par précaution

Slide 4 - Quiz

répondre
attendre
entendre 
vendre
perdre
De werkwoorden op –RE :
verkopen
antwoorden
wachten op
horen
verliezen

Slide 5 - Drag question

Zij horen

Slide 6 - Open question

wij antwoorden

Slide 7 - Open question

jij gaat naar beneden

Slide 8 - Open question

zij hebben teruggegeven

Slide 9 - Open question

Hij heeft geantwoord

Slide 10 - Open question

ik heb verkocht

Slide 11 - Open question

werkwoorden -er

Slide 12 - Slide

tomber
arriver
rester 
commencer
chercher
De werkwoorden op –RE :
beginnen
vallen
aankomen
blijven
zoeken

Slide 13 - Drag question

hij begint

Slide 14 - Open question

Ik ben gevallen

Slide 15 - Open question

zij is aangekomen

Slide 16 - Open question

J'ai mal ... jambe.
A
à le
B
à la
C
aux
D
à l'

Slide 17 - Quiz

Elle a mal ...
A
à les épaule
B
au épaule
C
à la épaule
D
à l'épaule

Slide 18 - Quiz

Ils ont mal ... genoux.
A
au
B
aux
C
à les
D
à la

Slide 19 - Quiz

Vertaal (en vergeet de punt niet):
Ik heb pijn aan mijn oren.

Slide 20 - Open question

Vertaal (en vergeet de punt niet):
Hij heeft pijn aan zijn neus.

Slide 21 - Open question

Hoe zeg je?
Zij heeft rugpijn.

Slide 22 - Open question

Hoe zeg je?
Jij hebt hoofdpijn.

Slide 23 - Open question

Tu aimes cette chanson? (Non, niet meer)

Slide 24 - Open question

Elle va toujours chez le coiffeur? (Non, nooit)

Slide 25 - Open question

Maak de zin ontkennend:
Nous sommes allés chez le médecin. (jamais)

Slide 26 - Open question

   aller
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
tu
je/j'
                        allez
                           vas
                          vais
                             va
                     allons
                        vont

Slide 27 - Drag question

(aller, passé composé) Elle ..............
A
est allé
B
a allé
C
est allée
D
va aller

Slide 28 - Quiz

nous + aller (passé composé)

Slide 29 - Open question

Maak een zin met een passé composé. Je hebt niet alle woorden nodig.
ma
père
a
écouté
un
film
mère
regardé
douze

Slide 30 - Drag question

Maak een zin met een passé composé. Je hebt niet alle woorden nodig.
mon
soeur
a
écouté
un
gâteau
copain
préparé
douze

Slide 31 - Drag question

Hervé heeft hoofdpijn en moet hoesten. Wie kan hij het beste bellen?
A
le généraliste
B
le SAMU
C
le spécialiste

Slide 32 - Quiz

Sophie ziet hoe een voetganger wordt aangereden. Wie moet hij bellen?
A
le généraliste
B
le SAMU
C
le spécialiste

Slide 33 - Quiz

Slide 34 - Slide

Wat kun je doen?
- Oefentoets maken
- Zinnen maken en zelf nakijken of door mij laten controleren.
- Grammaire extra: p. 47-49
- Woordjes leren.

Slide 35 - Slide