NN7 - Grammatica §8 - Wederkerend en wederkerig voornaamwoord - 3H

Wederkerend en wederkerig voornaamwoord

NN7 - Grammatica §8 - 3H
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 19 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 25 min

Items in this lesson

Wederkerend en wederkerig voornaamwoord

NN7 - Grammatica §8 - 3H

Slide 1 - Slide

Wat je gaat leren

  • Je leert wederkerende en wederkerige voornaamwoorden herkennen.

Slide 2 - Slide

Bekijk de volgende zin:
– David en Wouter zagen elkaar vaak in de vakantie, zodat ze zich niet hoefden te vervelen. 

Slide 3 - Slide

Bekijk de volgende zin:
David en Wouter zagen elkaar vaak in de vakantie, zodat ze zich niet hoefden te vervelen.  

In deze zin staan twee werkwoorden waarin het onderwerp terugkomt. Bij zagen elkaar slaat elkaar op het onderwerp David en Wouter.

En bij zich vervelen slaat zich op ze.

Slide 4 - Slide

Bekijk de volgende zin:
– Levi en Hashim zagen elkaar vaak in de vakantie, zodat ze zich niet hoefden te vervelen.

In een wederkerig of een wederkerend voornaamwoord zie je het onderwerp ‘wederkeren’ (terugkomen). In de voorbeeldzin is elkaar een wederkerig voornaamwoord (wedig.vnw). Het Nederlands heeft er maar één: elkaar. Soms wordt het geschreven als mekaar of elkander.

In de voorbeeldzin is zich een wederkerend voornaamwoord (wed.vnw)

Slide 5 - Slide

Het onderwerp bepaalt dus welk wederkerend voornaamwoord je gebruikt. Kijk maar naar de volgende voorbeelden:

Slide 6 - Slide

  • Ik misdraag me
  • Jij misdraagt je
  • U misdraagt zich
  • Hij, zij of ze misdraagt zich
  • Wij of we misdragen ons
  • Jullie misdragen je
  • Zij of ze misdragen zich

Slide 7 - Slide

Er zijn twee soorten wederkerende werkwoorden:

  • verplicht wederkerende werkwoorden
    (deze zijn altijd wederkerend)

  • toevallig wederkerende werkwoorden
    (deze zijn soms wederkerend)

Slide 8 - Slide

Verplicht wederkerende werkwoorden hebben altijd een  wederkerend voornaamwoord bij zich. 

Bijvoorbeeld:
  • zich schamen
  • zich verslapen
  • zich verslikken

Je doet het altijd bij jezelf, nooit bij een ander!!

Slide 9 - Slide

De wederkerende voornaamwoorden mezelf, jezelf, zichzelf, onszelf komen alleen voor bij toevallig wederkerende werkwoorden. 

Bijv. mezelf aankleden, jezelf scheren
zichzelf verwonden, onszelf wassen.

Al deze werkwoorden kun je ook gebruiken zonder de wederkerende voornaamwoorden.

Slide 10 - Slide

Ze zijn dus toevallig, en niet verplicht wederkerig

Je kunt namelijk ook iemand anders verwonden, aankleden, scheren of wassen.

Slide 11 - Slide

Je kunt dus zeggen:

Thomas scheert zichzelf.

Want: scheren is een toevallig wederkerend werkwoord.

Slide 12 - Slide

Maar je kunt dus niet zeggen:

Margriet schaamt zichzelf.

Want schamen is een verplicht wederkerend werkwoord.

Slide 13 - Slide

Wel kun je zeggen:

Maria schaamt zich.

Want ze kan nu eenmaal niet iemand anders schamen.

Slide 14 - Slide

Let op:
Zich is altijd een wederkerend voornaamwoord, maar me, je en ons kunnen ook een persoonlijk voornaamwoord zijn.








En je en ons kunnen ook een bezittelijk voornaamwoord zijn.
wederkerend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
zich
me
me
je
je
je
ons
ons
ons

Slide 15 - Slide

Zo stel je de woordsoort vast:
Vervang het woord me, je of ons door hij, hem, zijn of zich. Als je het woord kunt vervangen:

  • door hij of hem, dan is het een persoonlijk voornaamwoord;
  • door zijn, dan is het een bezittelijk voornaamwoord;
  • door zich, dan is het een wederkerend voornaamwoord.

Slide 16 - Slide

Voorbeeld:
– Kun je (1) je (2) voorstellen dat je (3) vader de Elfstedentocht rijdt?
– Kan hij (1) zich (2) voorstellen dat zijn (3) vader de Elfstedentocht rijdt? 

‘Je’ (1) verandert in ‘hij’ en is dus een persoonlijk voornaamwoord.
‘Je’ (2) verandert in ‘zich’ en is dus een wederkerend voornaamwoord.
‘Je’ (3) verandert in ‘zijn’ en is dus een bezittelijk voornaamwoord.

Slide 17 - Slide

Nog even voor de duidelijkheid: 
we hebben het meestal over wederkerende voornaamwoorden.

Het Nederlands heeft maar één wederkerig voornaamwoord: elkaar. Soms wordt het geschreven als mekaar of elkander.

Slide 18 - Slide

Ga nu naar de digitale digitale methode en maak de opgaven die ik heb klaar gezet in de planning.
Nope, niet als je het in de les afkrijgt....

Slide 19 - Slide