Je leert wederkerende en wederkerige voornaamwoorden herkennen.
Slide 2 - Slide
Bekijk de volgende zin: – David en Wouter zagen elkaar vaak in de vakantie, zodat ze zich niet hoefden te vervelen.
Slide 3 - Slide
Bekijk de volgende zin:
– David en Wouter zagen elkaarvaak in de vakantie, zodat zezichniet hoefden te vervelen.
In deze zin staan twee werkwoorden waarin het onderwerp terugkomt. Bij zagen elkaar slaat elkaarop het onderwerp David en Wouter.
En bij zich vervelen slaat zichop ze.
Slide 4 - Slide
Bekijk de volgende zin:
– Levi en Hashim zagen elkaar vaak in de vakantie, zodat ze zich niet hoefden te vervelen.
In een wederkerig of een wederkerend voornaamwoord zie je het onderwerp ‘wederkeren’ (terugkomen). In de voorbeeldzin is elkaar een wederkerig voornaamwoord (wedig.vnw). Het Nederlands heeft er maar één: elkaar. Soms wordt het geschreven als mekaar of elkander.
In de voorbeeldzin is zich een wederkerend voornaamwoord(wed.vnw).
Slide 5 - Slide
Het onderwerp bepaalt dus welk wederkerend voornaamwoord je gebruikt. Kijk maar naar de volgende voorbeelden:
Slide 6 - Slide
Ik misdraag me
Jij misdraagt je
U misdraagt zich
Hij, zij of ze misdraagt zich
Wij of we misdragen ons
Jullie misdragen je
Zij of zemisdragen zich
Slide 7 - Slide
Er zijn twee soorten wederkerende werkwoorden:
verplicht wederkerende werkwoorden (deze zijn altijd wederkerend)
toevallig wederkerende werkwoorden (deze zijn soms wederkerend)
Slide 8 - Slide
Verplicht wederkerende werkwoorden hebben altijd een wederkerend voornaamwoord bij zich.
Bijvoorbeeld:
zich schamen
zich verslapen
zich verslikken
Je doet het altijd bij jezelf, nooit bij een ander!!
Slide 9 - Slide
De wederkerende voornaamwoorden mezelf, jezelf, zichzelf, onszelf komen alleen voor bij toevallig wederkerende werkwoorden.
Al deze werkwoorden kun je ook gebruiken zonder de wederkerende voornaamwoorden.
Slide 10 - Slide
Ze zijn dus toevallig, en niet verplicht wederkerig.
Je kunt namelijk ook iemand anders verwonden, aankleden, scheren of wassen.
Slide 11 - Slide
Je kunt dus zeggen:
Thomas scheert zichzelf.
Want: scheren is een toevallig wederkerend werkwoord.
Slide 12 - Slide
Maar je kunt dus niet zeggen:
Margriet schaamtzichzelf.
Want schamen is een verplicht wederkerend werkwoord.
Slide 13 - Slide
Wel kun je zeggen:
Maria schaamt zich.
Want ze kan nu eenmaal niet iemand anders schamen.
Slide 14 - Slide
Let op:
Zich is altijd een wederkerend voornaamwoord, maar me, je en ons kunnen ook een persoonlijk voornaamwoord zijn.
En je en ons kunnen ook een bezittelijk voornaamwoord zijn.
wederkerend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
zich
me
me
je
je
je
ons
ons
ons
Slide 15 - Slide
Zo stel je de woordsoort vast:
Vervang het woord me, je of ons door hij, hem, zijn of zich. Als je het woord kunt vervangen:
door hij of hem, dan is het een persoonlijk voornaamwoord;
door zijn, dan is het een bezittelijk voornaamwoord;
door zich, dan is het een wederkerend voornaamwoord.
Slide 16 - Slide
Voorbeeld: – Kun je (1) je (2) voorstellen dat je (3) vader de Elfstedentocht rijdt?
– Kan hij (1) zich (2) voorstellen dat zijn (3) vader de Elfstedentocht rijdt?
‘Je’ (1) verandert in ‘hij’ en is dus een persoonlijk voornaamwoord. ‘Je’ (2) verandert in ‘zich’ en is dus een wederkerend voornaamwoord. ‘Je’ (3) verandert in ‘zijn’ en is dus een bezittelijk voornaamwoord.
Slide 17 - Slide
Nog even voor de duidelijkheid:
we hebben het meestal over wederkerende voornaamwoorden.
Het Nederlands heeft maar één wederkerig voornaamwoord: elkaar. Soms wordt het geschreven als mekaar of elkander.
Slide 18 - Slide
Ga nu naar de digitale digitale methode en maak de opgaven die ik heb klaar gezet in de planning.