Begrippen Economie-examen: van alles wat!

Begrippen Economie-examen
Let op: dit zijn niet alle begrippen 
die je moet kennen!!!
1 / 42
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Begrippen Economie-examen
Let op: dit zijn niet alle begrippen 
die je moet kennen!!!

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat is inflatie?
A
Stijging van de prijzen
B
Daling van de prijzen
C
Stijging van de koopkracht
D
Het geld wordt meer waard

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

Kies uit import of export voo voor
export
import
De kaasfabriek uit NL verkoopt kaas aan een Duits bedrijf.
Een vakantieganger uit NL gaat naar Oostenrijk om te skiën
Albert Heijn koopt sperziebonen uit Egypte
Een Duitser huurt een hotelkamer in Egmond aan Zee

Slide 3 - Drag question

3 goed = 2 punten
2 goed = 1 punt
1 goed = 0 punten
Aandelen zeer beperkt te koop
Niet op winst gericht
Eén eigenaar, soms personeel
Eén persoon is eigenaar/leiding
Meerdere eigenaren/samen de leiding
Aandelen zijn vrij verhandelbaar
Eenmanszaak
ZZP
VOF
BV
NV
Stichting

Slide 4 - Drag question

This item has no instructions

Noord-Limburg heeft minder werk
De toename van automatisering zorgt voor werkloosheid
De ijssalon is in de winter gesloten
Door de coronacrisis is er minder vraag naar producten, dus minder arbeid nodig
John is net klaar met z'n opleiding en zoekt werk
Structureel
Conjunctureel
Frictie
Seizoens
Regionaal

Slide 5 - Drag question

This item has no instructions

Wat is koopkracht?
A
Hoeveel geld je hebt.
B
De hoeveelheid producten en diensten die je kunt kopen.
C
De hoeveelheid goederen die je kunt kopen.
D
Hoeveel euro's je kunt uitgeven.

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

De nominale loonstijging is 4%.
De inflatie is 5,5%.
Hoeveel is de reële loonstijging?
A
4%
B
5,5%
C
4% - 5,5% = -1,5%
D
5,5% - 4% = 1,5%

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

PRIMAIR
SECUNDAIR
Plaats de behoeften in de bijbehorende vakken.
Primaire behoeften
Secundaire behoeften
Water
Netflix
Vakantie
Onderwijs
Tuinkabouter
Bed
Brood
Agenda
Appels

Slide 8 - Drag question

This item has no instructions

Voor een consumptief krediet heb je bij de banken keuze uit verschillende kredietvormen.
Welke van de onderstaande kredietvormen is geen kredietvorm voor een consumptief krediet?
A
Persoonlijke lening
B
Hypotheek
C
Salariskrediet
D
Doorlopend krediet

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Omzet = ?
A
afzet x inkoopprijs
B
afzet x Verkoopprijs
C
inkoopprijs x verkoopprijs
D
verkoopprijs x verkoopopbrengsten

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Van wie komt de vraag naar arbeid?
A
De beroepsbevolking
B
De werklozen
C
De werknemers
D
De werkgevers

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

arbeidskrachten
werkgelegenheid 
arbeidsplaatsen 
werkgevers
beroepsbevolking
werknemers
vacatures
werkzoekende
Aanbod van arbeid
Vraag naar arbeid

Slide 12 - Drag question

This item has no instructions

Sleep de woorden naar de juiste plek in de tekst en controleer je antwoord.

Vraag en aanbod samenvatting

Voor het aanbod van een product geldt: Als de prijs van een product stijgt, zal het aanbod van het product _______.

Van een product waarvan de prijs wordt bepaald door vraag en aanbod is de (ver)koopprijs de _______.
toenemen
evenwichtsprijs
producenten
afnemen
concurrentie
Consumenten

Slide 13 - Drag question

This item has no instructions

contingentering
invoerrechten
exportsubsidie
proctectionisme
handelsbelemmeringen
Importheffing
importquotum
producten worden door belasting duurder, hierdoor kunnen Nederlandse bedrijven concurreren met buitenlandse bedrijven.
Buitenlandse bedrijven mogen maar een bepaalde hoeveelheid per jaar invoeren.
Bedrijven krijgen subsidie van de eigen overheid om prijzen van hun eigen producten lager te houden en zo beter te concurreren.

Slide 14 - Drag question

This item has no instructions

Je leent € 1500 met een persoonlijke lening.
Je betaalt 36 maanden lang € 55.
Hoe bereken je de kredietkosten?
A
36 x €55 = €1980
B
Niks berekenen: €55
C
36 x €55 = €1980 €1980 - €1500 = €480,-
D
€1500 : 36 = €41,67

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Welke beloning hoort bij welke productiefactor? 
Sleep de beloningen naar het juiste vak.
Kapitaal
Arbeid
Natuur
Ondernemer- schap
Loon
Huur
Pacht
Winst
Productiemiddelen zoals machines of een gebouw
Mensen die het werk uitvoeren
Grond en grondstoffen
Een eigenaar die het bedrijf begint

Slide 16 - Drag question

This item has no instructions

Plaats de vier marktvormen in volgorde van veel concurrentie op de markt tot weinig tot geen concurrentie op de markt.
Oligopolie
Monopolie
Volkomen concurrentie
Monopolistische concurrentie

Slide 17 - Drag question

This item has no instructions

Abstracte markt
Concrete markt

Slide 18 - Drag question

This item has no instructions

Collectieve sector 
Particuliere sector 

Slide 19 - Drag question

This item has no instructions

Sleep naar de juiste sector
Primaire sector
Secundaire sector
Tertiaire sector
Quartaire sector
Schilder
Vakkenvuller
Docent
Visser
Boer
Accountant
Dokter

Slide 20 - Drag question

This item has no instructions

Welke voordelen heeft een NV en een BV boven een eenmanszaak? Kies de juiste uitspraken







Voordeel
Geen voordeel
Zij hoeven hun balans en resultatenrekening niet openbaar te maken
Alle winst is voor de directie van de zaak
De directie is niet hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de zaak
Ze kunnen meer en gemakkelijker krediet krijgen bij een bank
Ze kunnen sneller beslissingen nemen

Slide 21 - Drag question

This item has no instructions

De EU heeft een 'interne markt', d.w.z.
binnen de EU is er sprake van
vrij verkeer van ...
A
goederen en diensten
B
personen
C
kapitaal
D
bedrijven

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Als een overheid alles bepaalt wat er in de economie van een land gebeurt dan spreek je van een
A
vrijemarkt economie
B
sociale markteconomie
C
planeconomie

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

In Nederland hebben we een
A
vrijemarkt economie
B
sociale markteconomie
C
planeconomie

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Oligopolie
A
Veel aanbieders en een homogeen product
B
Weinig aanbieders en een homogeen of heterogeen product
C
Veel aanbieders en een heterogeen product
D
Eén aanbieder en een homogeen product

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Twee beweringen over homogeen/heterogeen oligopolie.

I. Bij een heterogeen oligopolie heb je als bedrijf minder marktmacht dan bij een homogeen oligopolie.
II. Bij een heterogeen oligopolie hebben de bedrijven meer voordeel van een kartel dan bij homogeen oligopolie.
A
Beide zijn goed
B
1 is goed en 2 is fout
C
1 is fout en 2 is goed
D
Beide zijn fout

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Sleep de afbeeldingen bij de correcte marktvorm.
monopolie
oligopolie
volkomen concurrentie
monopolistische concurrentie

Slide 27 - Drag question

This item has no instructions

Mark wil graag een nieuwe telefoon kopen.
Zijn vader heeft deze maand geld tekort vanwege de aanbetaling van de vakantie.

Van welke twee leenmotieven is hier sprake?
A
tijdelijk geld tekort, onverwacht dringend geld tekort
B
tijdelijk geldtekort, aanschaf duur product
C
onverwacht dringend geld, aanschaf duurzaam consumptiegoed
D
tijdelijk geldtekort, aanschaf huis

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het doel van protectionisme?
A
Werkgelegenheid eigen land beschermen
B
Opkomen voor arme boeren in het buitenland
C
Vrije wereldhandel stimuleren
D
Prijsstabiliteit

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke marktvorm(en) komen kartels voor?
A
Monopolie
B
Oligopolie
C
Monopolistsiche concurrentie
D
Volkomen concurrentie

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een kartel?
A
Een groep bedrijven die prijsafspraken maakt
B
Een groep ministers die afspraken maken.
C
Een groep mensen die demonstreren.
D
Een groep werknemers die een CAO willen.

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

Inkomen uit sparen en beleggen
Box 1
Box 2
Box 3
Inkomen uit aanmerkelijk belang
Inkomen uit werk en woning

Slide 32 - Drag question

This item has no instructions

Nivellering
Denivellering
Het percentage van de hoogste schijf in box 1 wordt verhoogd
Door bezuinigingen besluit de regering tot verlaging van de huurtoeslag

Slide 33 - Drag question

This item has no instructions

Sociale voorzieningen worden betaald met ....
A
Werkgeverspremies
B
belastinggeld
C
het brutoloon
D
de volksverzekeringen

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Wat is géén sociale voorziening?
A
Bijstandsuitkering
B
AOW
C
Huurtoeslag

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

De afspraken uit de 
CAO worden gemaakt 
door organisaties van werkgevers en 
….............................
arbeidsovereenkomst
arbeidsvoorwaarden
cao
bedrijfstak
vacatures
vakbonden

Slide 36 - Drag question

This item has no instructions

timer
5:00
bruto
CAO
netto
minimum
ARBO
arbeidstijden

Slide 37 - Drag question

This item has no instructions

De boer behoord tot de productieSECTOR:
A
Primaire sector
B
Secundaire sector
C
Tertiaire sector
D
Quartaire sector

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Wat is geen productiesector?
A
Agrarische bedrijven
B
Dienstverlenende bedrijven
C
Overheidsinstanties
D
Industriële bedrijven

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Wat is geen ondernemingsvorm?
A
Eenmanszaak
B
Tweemanszaak
C
Besloten vennootschap (BV)
D
Naamloze vennootschap (NV)

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions

Welke ondernemingsvorm heeft de ING?
A
besloten vennootschap
B
eenmanszaak
C
naamloze vennootschap
D
vennootschap onder firma

Slide 41 - Quiz

This item has no instructions

Conjuncturele werkloosheid
Fricitiewerkloosheid
Structurele werkloosheid
Regionale werkloosheid
Seizoenswerkloosheid

Slide 42 - Drag question

This item has no instructions