4.2 Zien en horen (deel 2)

Welkom
Ga zitten volgens de plattegrond.
timer
5:00
1 / 31
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

Items in this lesson

Welkom
Ga zitten volgens de plattegrond.
timer
5:00

Slide 1 - Slide

Planning

Keuze uit zelfstandig werken of uitleg volgen.

Slide 2 - Slide

Planning komende weken
Week 9 (24-02 t/m 28-02) 
Starten hoofdstuk 4. Uitleg 4.1 + 4.2
Week 10 (03-03 t/m 07-03)
4.2 + 4.3
Week 11 (10-03 t/m 14-04)
Internationaliseringsweek
Week 12 (17-03 t/m 21-03)
Herhalen + vrijdag start TW3
Week 13 (26-03)
Toets hf 4.1 t/m 4.3

Slide 3 - Slide

Leerdoelen
Probeer deze leerdoelen zelf te beantwoorden.
Kan je ze uitleggen?

Slide 4 - Slide

Invulling van de les
Pak je boek en pen.
Je gaat een keuze maken.
1. Ga zelfstandig bezig met de lesstof (in rust en stilte).
2. Volg actief de uitleg.
Lukt het je niet om aan deze keuze te houden? Afspraak om terug te komen.

Slide 5 - Slide

Zelfstandig werken, hoe gaat dat?
Hoe?
Rustige manier, zachtjes overleggen.
Niet storend zijn voor klasgenoten.
Wat?
Maak een keuze waar je mee gaat beginnen:
1. Maak de opdrachten in het werkboek en kijk deze na
2. Maak de LessonUp met oefeningen
3. Maak een begrippenlijst/samenvatting van wat je hebt geleerd.
Klaar?
Heb je alle 3 de keuzes gedaan? 
Kijk in Teams en LessonUp voor extra oefeningen.
Werkboek opdrachten: hoofdstuk 4, 4.2
Opdrachten 19, 21, 22, 25, 27, 29, 30, 34, 35, 36.
Kijk het na! Nakijkboekje staat in Teams.

Slide 6 - Slide

Ken de onderdelen van het oog.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Video

Scherp zien
Je kan scherp zien doordat je je ooglens boller en platter kunt maken = accommoderen. Dit gebeurd met de accommodatie-spieren.

Bolle lens = dichtbij
Platte lens = veraf

Slide 9 - Slide

Dichtbij = slappe accommodatie-spier, bolle lens.
Ver weg = strakke accommodatie-spier, platte lens.

Slide 10 - Slide

De pupilreflex
Lengtespieren en kringspieren in de iris.

Veel licht = kleine pupil. Kringspieren spannen aan.

Weinig licht = groot pupil. Lengtespieren spannen aan.

Slide 11 - Slide

0

Slide 12 - Video

Ken de onderdelen van het oor.
Geluid is trillende lucht.

De weg van buiten naar binnen:
Oorschelp -> 
Gehoorgang -> 
Trommelvlies -> Gehoorbeentjes -> 
Slakkenhuis

Slide 13 - Slide

In het slakkenhuis zetten de zintuigecellen de trillingen om in impulsen.

Impulsen gaan via de gehoorzenuw naar de hersenen.

Slide 14 - Slide

0

Slide 15 - Video

Gehoorbereik
  • Mensen horen tussen de 20 en 20000 Hertz.
  • Het gehoorbereik verschil per diersoort.
  • Als je ouder wordt slijten de haartjes van de zintuigcellen.        Je hoort geen hoge tonen meer. 

Slide 16 - Slide

Geluidsniveau
Bij een hard geluid zijn er sterkere geluidstrillingen dan bij een zacht geluid. 

Je meet geluidssterkte in decibel.

Slide 17 - Slide

0

Slide 18 - Video

Slikken

  • Bij slikken of gapen, gaat via de buis van Eustachius lucht  van de trommelholte  naar de keelholte of andersom.

Slide 19 - Slide

Je trommelvlies trilt goed als de lucht in de gehoorgang even hard drukt als de lucht in de trommelholte.

Slide 20 - Slide

Je evenwichtsorgaan
- Gevoelig voor bewegingen in je lichaam.

- Drie halvecirkelvormige kanalen met vloeistof. De kanalen nemen beweging waar en de vloeistof prikkelt de zintuigcellen.

Slide 21 - Slide

Ga bezig met het maken van oefenopdrachten.

De uitleg is nu klaar.
 Kies uit het volgende:
1. Maak opdrachten in het boek.
2. Maak een begrippenlijst.
3. Werk de leerdoelen voor jezelf uit.

Slide 22 - Slide


Benoem de nummers: 1, 2 en 10.
A
1=vaatvlies, 2=netvlies, 10=hoornvlies
B
1=hoornvlies, 2=vaatvlies, 10=netvlies
C
1=netvlies, 2=vaatvlies, 10=hoornvlies
D
1= vaatvlies, 2=hoornvlies. 10=netvlies

Slide 23 - Quiz


Benoem de nummers: 7, 8 en 9
A
7=lens, 8=iris, 9=pupil
B
7=pupil, 8=iris, 9=lens
C
7=lens, 8= accomodatiespier, 9=pupil
D
7=lens, 8= lensbandjes, 9=pupil

Slide 24 - Quiz

lens
iris
netvlies
zenuw
vaatvlies
Glasachtig lichaam
gele vlek

Slide 25 - Drag question


Het gehoorbereik is het gebied tussen de hoogste toon en de laagste toon die je kunt horen. Een hondenfluitje produceert een toon van 22000 Hz (=22k).
Bekijk afbeelding hiernaast en beantwoord de volgende vraag. Welke zoogdieren kunnen het hondenfluitje horen?
T2, 2p
A
mens, hond, vleermuis, olifant, walvis
B
mens, hond, vleermuis, walvis
C
hond, vleermuis, olifant walvis
D
hond, vleermuis, walvis

Slide 26 - Quiz


Bekijk de afbeelding van het gehoorbereik nog eens. 
Juist of onjuist
a. Een mens kan een olifant altijd horen.
b. Een walvis kan een mens altijd horen. 
I, 2p
A
a = juist b = juist
B
a = juist b = onjuist
C
a = onjuist b = juist
D
a = onjuist b = onjuist

Slide 27 - Quiz


Maak de zin af.
Teun rijdt met de auto door de Zwitserse bergen. Zijn oren gaan dicht zitten en hij hoort minder. Dit komt omdat ...
T2, 1p
A
de luchtdruk in de buis van Eustachius hoger wordt.
B
de luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies niet gelijk is.
C
de luchtdruk in de oorschelp hoger wordt.
D
de luchtdruk in de trommelholte kleiner wordt.

Slide 28 - Quiz


Op de kermis gaan Chayenne en Joost in de booster. Misselijk en een beetje duizelig komen ze even later weer op het plein. Hoe komt het dat ze duizelig geworden zijn? 
T2, 2p
A
Omdat de buis van Eustachius geen impulsen meer door kan geven naar de hersenen.
B
Omdat de hersenen de impulsen van het evenwichtsorgaan niet goed kunnen verwerken.
C
Omdat de hersenen de impulsen van de ogen niet goed kunnen verwerken.
D
Omdat het slakkenhuis gevoelig is voor de bewegingen van de kermisattractie.

Slide 29 - Quiz


Lees de tekst hiernaast en bekijk de afbeelding. 
In welke situatie is de stand van haar ooglenzen juist getekend?
T2, 1p

A
situatie 1
B
situatie 2

Slide 30 - Quiz


De pupilreflex zorgt voor verandering in de grootte van de pupillen. Trekken de lengtespieren of de kringspieren samen als Anouck naar buiten stapt? 
T2, 1p

A
lengtespieren
B
kringspieren

Slide 31 - Quiz