Basisgrammatica Nt2 voorzetsels

Ik fiets op de straat.
voorzetsel =
A
ik
B
fiets
C
op
D
straat
1 / 13
next
Slide 1: Quiz
NT2Middelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 1

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Ik fiets op de straat.
voorzetsel =
A
ik
B
fiets
C
op
D
straat

Slide 1 - Quiz

De jongen stapt in de bus.
A
jongen
B
stapt
C
in
D
bus

Slide 2 - Quiz

Het meisje staat in de rij bij de kassa.
A
meisje
B
in
C
bij, kassa
D
in, bij

Slide 3 - Quiz

Wat is NIET een voorzetsel?
A
in
B
boek
C
achter
D
naar

Slide 4 - Quiz

Wat is NIET een voorzetsel?
A
in
B
vaak
C
achter
D
naar

Slide 5 - Quiz

Welk voorzetsel moet in de zin?
De training begint ....... 19.00.
A
in
B
bij
C
op
D
om

Slide 6 - Quiz

Welk voorzetsel?
Morgen komt mijn vriendin .... mij eten.
A
bij
B
voor
C
in
D
naar

Slide 7 - Quiz

Welk voorzetsel?
...... november komt de maand december.
A
voor
B
naar
C
na
D
naast

Slide 8 - Quiz

Welk voorzetsel?
Hij geeft een taart .... zijn moeder.
A
naar
B
aan
C
bij
D
voor

Slide 9 - Quiz

Welk voorzetsel?
De juf schrijft ..... een rode pen.

Slide 10 - Open question

Welk voorzetsel?
De oefening staat ..... bladzijde 16.

Slide 11 - Open question

Welk voorzetsel?
Wanneer ga jij ....... huis?

Slide 12 - Open question

Maak nu:

Alle oefeningen op werkblad


Slide 13 - Slide