This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
Slide 2 - Slide
Slide 3 - Slide
Slide 4 - Slide
Slide 5 - Slide
Kosten, uitgaven of allebei? Het kopen van een nieuwe trekker
A
Kosten
B
Uitgaven
C
Allebei
Slide 6 - Quiz
Kosten, uitgaven of allebei? Een onderhoudsfactuur van de trekker
A
Kosten
B
Uitgaven
C
Allebei
Slide 7 - Quiz
Kosten, uitgaven of allebei? Afschrijving van de trekker
A
Kosten
B
Uitgaven
C
Allebei
Slide 8 - Quiz
Opbrengsten, inkomsten of allebei? Het krijgen van melkgeld
A
Opbrengsten
B
Inkomsten
C
Allebei
Slide 9 - Quiz
Opbrengsten, inkomsten of allebei? Het verkopen van een kalf
A
Opbrengsten
B
Inkomsten
C
Allebei
Slide 10 - Quiz
Opbrengsten, inkomsten of allebei? Het uitbreiden van de veestapel door natuurlijke groei
A
Opbrengsten
B
Inkomsten
C
Allebei
Slide 11 - Quiz
Slide 12 - Slide
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
Waarom is het handig een liquiditeitsbegroting te maken?
Slide 15 - Open question
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Slide
Slide 18 - Slide
Bereken van deze ondernemer: 1. de current ratio: vlottende activa / vlottende passiva 2. de quick ratio: vlottende activa - voorraden / vlottende passiva 3. en het werkkapitaal: vlottende activa – kort vreemd vermogen
Slide 19 - Open question
Slide 20 - Slide
Slide 21 - Slide
Wat is de solvabiliteit van deze ondernemer? (EV / TV * 100) Bezittingen (TV aan de linker/rechterkant van de balans) = 1 miljoen euro Eigen vermogen = 300.000 euro
En hoe hoog zijn dan de leningen van deze ondernemer?