§2 Spreekwoorden en uitdrukkingen

WELKOM BIJ NEDERLANDS!
Inloggen in LessonUp ;
Pak verder je boek, schrift en schrijfgerei.
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

WELKOM BIJ NEDERLANDS!
Inloggen in LessonUp ;
Pak verder je boek, schrift en schrijfgerei.

Slide 1 - Slide

Planning

Uitleg werkwoordspelling 

Zelfstandig met de oefeningen aan de slag
P L A N N I N G
Cursus 4 - Taal
1. Lesdoelen
2. Terugblik vorige les
3. Uitleg letterlijk en figuurlijk taalgebruik + spreekwoorden/uitdrukkingen
4. Samen oefenen
5. Zelfstandig aan de slag
6. Terugblikken en afsluiten

Slide 2 - Slide

  • Je leert wat het verschil is tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik;
  • Je leert wat het verschil is tussen een spreekwoord en een uitdrukking
Lesdoelen

Slide 3 - Slide

Er volgen nu wat herhalingsvragen

Slide 4 - Slide

Wat betekent moedertaal?
A
Je eerste taal, die je thuis van je ouders geleerd hebt.
B
De taal, die je op school geleerd hebt.
C
De taal die de meeste mensen in Nederland spreken.
D
De eerste taal van je moeder.

Slide 5 - Quiz

Wanneer begint je taalontwikkeling?
A
5 maanden voor de geboorte
B
5 maanden na de geboorte

Slide 6 - Quiz

§2 Spreekwoorden en uitdrukkingen
Blz. 92-93

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

= taal waarmee je precies bedoelt wat er staat.
- Marlou praat graag met haar klasgenoten. 
- Ensar en Kevin zijn net jarig geweest. 
Letterlijk taalgebruik 

Slide 9 - Slide

= taal waarmee je iets anders bedoelt dan wat er staat. Spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegdes zijn figuurlijk taalgebruik. Er wordt vaak een beeld (figuur) gebruikt.
Figuurlijk taalgebruik 

Slide 10 - Slide

Letterlijk of figuurlijk?

Slide 11 - Slide

Letterlijk of figuurlijk?

Slide 12 - Slide

  • Zijn onveranderlijke zinnen.
  • Staan altijd in de tegenwoordige tijd.
  • Zijn altijd figuurlijk bedoeld.

Wie weet nog een spreekwoord?
Spreekwoorden

Slide 13 - Slide

  • Zijn vaste combinaties van woorden.
  • Zijn ook altijd figuurlijk bedoeld.

Wie weet nog een uitdrukking?
Uitdrukkingen

Slide 14 - Slide

Is dit letterlijk of figuurlijk taalgebruik?
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 15 - Quiz

Spreekwoord of uitdrukking?

Zo sterk zijn als een leeuw
A
spreekwoord
B
uitdrukking

Slide 16 - Quiz

Spreekwoord of uitdrukking?

Al doende leert men.

A
spreekwoord
B
uitdrukking

Slide 17 - Quiz

Dat is een vreemde vogel.
Is dit letterlijk of figuurlijk
A
letterlijk
B
figuurlijk
C
letterlijk en figuurlijk

Slide 18 - Quiz

Spreekwoorden en uitdrukkingen
1. Zoek op internet een spreekwoord of een uitdrukking en schrijf deze op in je schrift.
2. Noteer wat de uitdrukking of het spreekwoord betekent.
3. Onderzoek waar jouw spreekwoord of uitdrukking vandaan komt.
timer
5:00

Slide 19 - Slide

Wat?
Cursus 4 Taal, paragraaf 2: 
Maken: opdracht 1, 2 en 3
Verminderde opdrachten: 2 en 3
Hoe?
Zelfstandig. Zet de antwoorden in je schrift.
Hulp
De 4 B's (brein, boek, buur en bureau)
Tijd
Tot de laatste vijf minuten van deze les.
Klaar?
Maak een samenvatting (in je schrift) van de begrippen van paragraaf 1 en 2. Probeer bij ieder begrip een voorbeeld te noemen.
Zelfstandig werken

Slide 20 - Slide

  • Je leert wat het verschil is tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik;
  • Je leert wat het verschil is tussen een spreekwoord en een uitdrukking
Lesdoelen

Slide 21 - Slide