This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Items in this lesson
Lesplanning
Lezen
Quiz
Uitleg
Zelfstandig werken
Slide 1 - Slide
Leerdoelen
Ik kan mij concentreren op mijn leesboek.
Ik ken de regels om de persoonsvorm tegenwoordige tijd te kunnen spellen.
Ik kan de persoonsvorm tegenwoordige tijd op de juiste manier spellen.
Slide 2 - Slide
Pak je leesboek
(Zet de timer aan en ga 7 minuten stil lezen)
timer
7:00
Slide 3 - Slide
QUIZ! Wat weet ik...?
Vul alle vragen serieus in, snap je iets niet? Opschrijven! Dan kan ik je de volgende keer helpen.
Slide 4 - Slide
De stukken (kopiëren - tt) mijn secretaresse niet meer.
A
kopieert
B
kopieërt
C
kopiëren
D
kopieerde
Slide 5 - Quiz
Werkwoordspelling
In deze les krijg je uitleg over de spelling van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (pvtt).
Slide 6 - Slide
De ham-vraag
Voor een correcte werkwoordspelling, moet je altijd eerst een belangrijke vraag stellen. Namelijk:
heb ik te maken met een persoonsvorm?
Slide 7 - Slide
Waarom?
Deze vraag is heel belangrijk. Kijk maar.
Hier is vorige week een ongeluk gebeur... (Vul in)
Het is een gevaarlijk kruispunt.
Best kans dat er nog een ongeluk gebeur.. (Vul in)
Slide 8 - Slide
Antwoord
Deze vraag is heel belangrijk. Kijk maar.
Hier is vorige week een ongeluk gebeurD.
Het is een gevaarlijk kruispunt.
Best kans dat er nog een ongeluk gebeurT.
Slide 9 - Slide
Hoe spel je de pv?
In de volgende twee overzichtjes zie je hoe je de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd en de persoonsvorm van een zwak werkwoord in de verleden tijd moet spellen.
Slide 10 - Slide
pvtt > kies de juiste vorm
Het eerste uur .... om 8.30u.
A
begin
B
begind
C
begint
D
begon
Slide 11 - Quiz
pvtt > kies de juiste vorm
.... je moeder het ook een goed idee?
A
vind
B
vindt
C
vond
Slide 12 - Quiz
pvvt > kies de juiste vorm
De leerling.... zich al snel.
A
verveeld
B
verveelde
C
verveeldde
D
verveelden
Slide 13 - Quiz
pvvt > kies de juiste vorm
Mijn buurman .... een bijzondere plant.
A
ontdekte
B
ontdektte
C
ontdekten
D
ontdekt
Slide 14 - Quiz
Ezelsbruggetjes
Vul op de plek van een werkwoord een vorm van lopen in. Dan weet/hoor je meteen of er een t moet komen, of dat er hier een voltooid deelwoord staat.
Hij verhuist morgen naar Groningen.
Hij loopt morgen naar Groningen.
Hij is gisteren naar Groningen verhuisd.
Hij is gisteren naar Groningen gelopen
Slide 15 - Slide
Nog wat extra uitleg nodig?
Kijk dan het filmpje in de volgende slide.
Snap je het al? Sla dan het filmpje over.
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Video
Nu zelf aan de slag!
Je maakt ONLINE van cursus 7 SPELLING paragraaf 7 Persoonsvorm tegenwoordige tijd.
Je doorloopt alle opdrachten van je eigen leerroute.
Niet af? Werk dan de volgende les rustig verder voordat je de nieuwe les start. Dit is huiswerk voor de 1e les volgende week.