softketchup

softketchup
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 32 min

Items in this lesson

softketchup

Slide 1 - Slide

Korte samenvatting 
Hoe maak je een voltooid deelwoord?                 maken               vieren
1. Maak eerst de ik-vorm                                              maak                  vier
2. Kijk naar de laatste letter                                        maak                  vier
     Is de laatste letter een s, f, t, k, ch, of p?  -> SOFTKETCHUP
     Ja? -> het voltooid deelwoord krijgt een 't'    
     Nee? -> het voltooid deelwoord krijgt een 'd'
3. Schrijf 'ge' voor de ik-vorm en een 't' of een 'd' aan het eind
                                                                                                    gemaak           gevierd

Slide 2 - Slide

Uitleg
GEEN SOFTKETCHUP   =  voltooid deelwoord met een D

duwen
duw|en
      w        =   geduwd


Slide 3 - Slide

Wat is het goede voltooid deelwoord van werken?
A
Ik heb gisteren gewerken.
B
Ik heb gisteren gewerkd.
C
Ik heb gisteren gewerkt.

Slide 4 - Quiz

Wat is het goede voltooid deelwoord van koken?
A
Ik heb gisteren de pasta gekookt.
B
Ik heb gisteren de pasta gekookd.

Slide 5 - Quiz

Ik heb ............. (fietsen)

Slide 6 - Open question

Zij hebben .................... (reizen)

Slide 7 - Open question

Hij heeft ........................ (werken)

Slide 8 - Open question

Ik heb in Utrecht ....................... (wonen)

Slide 9 - Open question

Heb je muziek ............................(luisteren)?

Slide 10 - Open question

Hij heeft een wedstrijd .............. (spelen)

Slide 11 - Open question

Ik heb op jou ........................ (wachten)

Slide 12 - Open question

Ik ga morgen naar school
inversie
Morgen ga ik naar school


Slide 13 - Slide

Ik ben zaterdag vrij.

Slide 14 - Open question

Hij heeft woensdag een afspraak.

Slide 15 - Open question

Wij gaan volgende week dansen.

Slide 16 - Open question

Ik fiets straks naar huis.

Slide 17 - Open question

Ik word blij van mooi weer.

Slide 18 - Open question

werkwoord   
een werkwoord vertelt wat er gebeurt in een zin

Ik loop naar school.
Ik fiets naar school.

Slide 19 - Slide

onderwerp = wie of wat
Ik loop naar school.
Ik fiets naar school. 
Hij loopt
Wij fietsen

Slide 20 - Slide

onderwerp = wie of wat
De hond loopt.
De auto rijdt.
Het kopje valt.
 

Slide 21 - Slide

waar?
Waar vertelt over een plaats, een plek.
Bijvoorbeeld: 
in de klas, op het dak, achter de deur, in Zutphen, naast jou.

Slide 22 - Slide

Wanneer?
Wanneer vertelt iets over de tijd.
Bijvoorbeeld:
Morgen, volgend jaar, over een uur, later, in de lente

Slide 23 - Slide

maak een zin met een werkwoord, een onderwerp (wie of wat) en een bepaling van tijd (wanneer)

Slide 24 - Open question

Maak een zin met een werkwoord, een onderwerp (wie of wat) en een bepaling van plaats (waar)

Slide 25 - Open question

Maak een zin met een werkwoord, een onderwerp, een bepaling van tijd (wanneer) en een bepaling van plaats (waar).

Slide 26 - Open question

Slide 27 - Slide