Thema 3.4 Stambomen - PLS1337

3.4
 stambomen
1 / 21
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

3.4
 stambomen

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Planning
- Herhaling genotype en fenotype, genen, kruisingen
- Theorie 3.4 Stambomen
- Maken 3.3 en 3.4


Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

Voor deze les een demonstratie met een kaars doen.

Misschien ook een pinda?
Jantina en Jan hebben kippen. Ze hebben zwarte, grijze en witte kippen. Als zij een witte kip en een grijze haan met elkaar kruisen, hoe groot is dan de kans op een zwarte kip? Leg je antwoord uit. (tip! gebruik een kruisingsschema)

Slide 4 - Open question

This item has no instructions

Testkruising:
Om uit te zoeken of een organisme homozygoot of heterozygoot is: kruisen met homozygoot recessief
a
a
A
Aa
Aa
A
Aa
Aa
a
a
A
Aa
Aa
a
aa
aa

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Ik kruis een homozygote blonde cavia met een homozygote (dominant) bruine cavia. Vervolgens wordt de F1 nog een keer met elkaar gekruist.

Noteer de percentages van de genotypen en fenotypen van de F2.

Slide 6 - Open question

This item has no instructions

Fenotype en genotype

Slide 7 - Slide

Vul voor jezelf aan
Substraat: is wat wordt omgezet/verwerkt in een enzym
Active centrum: waar substraat bind met enzym
reactieproduct: wat uit de reactie komt

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Dominante allel (het sterkst)= A
Recessieve allel (minder sterk)= a.

AA: Homozygoot dominant
Aa: Heterozygoot 
aa: Homozygoot recessief 

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn genen?

A
Genen zijn informatie die iets zeggen over huidskleur of oogkleur
B
Genen zijn delen van een chromosoom die coderen voor een eigenschap, van ieder gen het je twee allelen.
C
Genen zorgen voor je fenotype (hoe je er uit ziet)
D
Ze zijn allemaal goed

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Het allel voor bruinhaar is dominant A. Het allel voor blond haar is recessief a.
Welke kleur haar heeft iemand met het genotype Aa?
A
Bruin
B
Blond
C
Lichtbruin

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een intermediair fenotype?
A
Beide allelen komen niet tot uiting
B
Het fenotype is afhankelijk van het dominante allel
C
Er is geen dominant allel en geen recessief allel
D
Het fenotype is afhankelijk van het recessieve allel.

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Leerdoel:
Je kunt uit een gegeven stamboom afleiden welke genotypen de ouders en/of nakomelingen hebben, welk allel dominant is en welk allel recessief is. 
3.4 Stambomen

Slide 14 - Slide

Vul voor jezelf aan
Substraat: is wat wordt omgezet/verwerkt in een enzym
Active centrum: waar substraat bind met enzym
reactieproduct: wat uit de reactie komt

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Stap 1
Welk fenotype heeft iedereen?

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Stap 2
Hoe is het mogelijk dat het één kind een andere fenotype heeft?
Wat zou dan het genotype van dit kind zijn? 

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Stap 3
Schrijf in de stamboom op wat je weet over het genotype

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Stap 5
Vul de stamboom zo veel mogelijk aan

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Slide 20 - Video

This item has no instructions

Huiswerk Donderdag
3.3 opdracht 1 tm 3
3.4 opdracht 1 t/m 6

Slide 21 - Slide

This item has no instructions