Taxonomie dieren en planten

Taxonomie dieren en planten
Taxonomie 
van dieren en planten

1 / 31
next
Slide 1: Slide
BiologieBasisschoolGroep 7,8

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Taxonomie dieren en planten
Taxonomie 
van dieren en planten

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Aan het einde van de les weet je:
- Wat een taxonomie is.
- Hoe de taxonomie van dieren en planten is opgebouwd.
- Wat de kenmerken zijn van de verschillende families.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Wat is een taxonomie?
  • Wat betekent taxonomie?
  • Indeling van dieren en planten
  • Strenge regels - Carl Linnaeus
  • Waarom delen we dieren en planten in?

Slide 3 - Slide

Deze les gaat over het indelen van de dieren in planten. Dat klinkt misschien saai, maar uiteindelijk vat dit al het leven op aarde samen. Zoals je geleerd hebt tijdens de les over Darwin evolueren dieren en planten. Wat betekent dat de verschillende soorten dezelfde voorouder kunnen hebben. Om hier een beetje grip op te krijgen hebben we al dit leven ingedeeld. Zo wordt het overzichtelijk voor de mensen. 
Wat is taxonomie?
Taxonomie is het indelen en benoemen van organismen in verschillende rangen en groepen. Je kunt dat indelen niet zomaar doen; hier zijn strenge regels over afgesproken. Carl Linnaeus heeft de regels in 1735 bedacht en deze worden nog steeds gebruikt. De indeling is wel veranderd. Tegenwoordig wordt de levende natuur ingedeeld in drie domeinen. Hierbij is een onderverdeling gemaakt tussen twee soorten bacteriën (de archaebacteriën en de bacteriën) en de Eukaryoten. De Eukaryoten hebben een celkern. Hieronder vallen bijvoorbeeld planten en dieren, waaronder ook de mens.
Telkens wanneer je in de indeling een rang naar beneden gaat, horen er specifieke kenmerken bij de groep. Onderaan de indeling staan de soorten. Iedere ontdekte soort krijgt een wetenschappelijke naam, waarbij het eerste gedeelte de naam van het geslacht is en het tweede deel de soort zelf aangeeft. De leeuw heeft bijvoorbeeld als wetenschappelijke naam Panthera leo, terwijl de tijger Panthera tigris heet. Ze behoren dus tot hetzelfde geslacht, maar tot een andere soort.

In deze les bespreken we de verschillende stammen en klasse van het dierenrijk.
Het dierenrijk

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Slide 5 - Slide

Stel je voor je wilt nagaan waar een zwarte beer bij hoort. Allereerst beslis je dat hij bij het domein 'levende organisme' hoort. Vervolgens is de zwarte beer duidelijk een dier. Aangezien de zwarte beer een wervelkolom, een schedel en neurale lijstcellen (mag je er ook buiten houden, is vrij ingewikkeld) heeft valt hij onder de gewervelde. 

De bruine beer hoort bij de klasse zoogdieren, omdat zijn jongen levend geboren worden en worden gezoogd (eten krijgen) van de moederbeer. 

De beer eet vlees, dus is een vleeseter. Een beer, dus een beenachtige. Behoort tot het geslacht beer, en is als soort zwarte beer. 

Zo kan je een organisme indelen in totdat je bij de juiste soort aankomt. Je maakt de groep door gebruik te maken van de kenmerken steeds kleiner.  
eencellige 
eencellige 
Niet symmetrisch 
Geen skelet
Plant zich voor door zichzelf te delen.
Trilhaartjes of zweepstaartjes

Slide 6 - Slide

kenmerken:
  1. Bestaan uit één cel (verrassing)
  2. Komen voor in vochtige omgeving. 
  3. Alle levensfuncties worden in één cel uitgevoerd. (Zoals ademhalen en spijsvertering)
  4. Ze hebben minimaal één celkern. (Pantoffeldiertje heeft er 2, gebruikt er één voor de voortplanting) 
  5. Om de cel zit een plasmamembraan, die zorgt dat de cel bij elkaar blijft. 
  6. Aan de buitenkant van hun omhulsel bevinden zich afhankelijk van de soort trilhaartjes of zweepstaartjes, deze dienen ter voortbeweging en om het voedsel naar zich toe te bewegen.
  7. Niet zichtbaar met het blote oog. 
meercellige 

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

eencellige 
Geleedpotige
spiegel symmetrisch 
Een exoskelet 
eieren
segmenten

Slide 8 - Slide

kenmerken:
  1. Bestaan uit één cel (verrassing)
  2. Komen voor in vochtige omgeving. 
  3. Alle levensfuncties worden in één cel uitgevoerd. (Zoals ademhalen en spijsvertering)
  4. Ze hebben minimaal één celkern. (Pantoffeldiertje heeft er 2, gebruikt er één voor de voortplanting) 
  5. Om de cel zit een plasmamembraan, die zorgt dat de cel bij elkaar blijft. 
  6. Aan de buitenkant van hun omhulsel bevinden zich afhankelijk van de soort trilhaartjes of zweepstaartjes, deze dienen ter voortbeweging en om het voedsel naar zich toe te bewegen.
  7. Niet zichtbaar met het blote oog. 
Welke 3 klasse horen bij de geleedpotige?
A
insecten, spinnen en duizendpoten
B
insecten, wormen, duizendpoten
C
insecten, wormen en spinnen

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

spinnen
duizendpoten
insecten
Klasse

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

eencellige 
Weekdieren
spiegel symmetrisch 
Een exoskelet, vaak van kalk in de vorm van een schelp 
eieren
segmenten

Slide 11 - Slide

Kenmerken
De mantel (pallium) van een weekdier is vergelijkbaar met de huid van een mens of dier, maar er zijn belangrijke verschillen. Zo hebben de meeste weekdieren kieuwen in de mantel, waarmee ze kunnen ademen. Het produceert ook slijm, waardoor het weekdier niet uitdroogt en zich makkelijker kan voortbewegen. Sommige weekdieren bewegen met hun mantel, veel ook met een soort voet waarmee ze zichzelf vooruitschuiven.
Het grootste deel van de weekdieren heeft een kleine of grote schelp aan hun mantel. De schelp beschermt het weekdier tegen gevaar, maar tegen een prijs: door de schelp zijn ze zwaarder en kunnen ze zich minder makkelijk voortbewegen. De schelpen komen voor in alle vormen en maten. Helaas weten sommige vijanden hoe ze de schelp van een weekdier moeten openbreken. Daarom verstoppen veel weekdieren zich gedurende de dag en komen ze pas ’s avonds tevoorschijn.
De kruipvoet wordt gebruikt om zich voort te bewegen, maar ook als zuignap. Bijvoorbeeld voor zeeslakken als de schaalhorens: zij zuigen zich vast aan rotsen bij de kust om daar voedsel te verzamelen. Bij eb kunnen ze op deze manier rotsvast wachten tot het water weer begint te stijgen.
Weekdieren variëren enorm in grootte. Van een paar millimeter (de erwtenmossel) tot een slak met een huis van 25 cm (de Afrikaanse reuzenslak). De grootste schelp is de doopvontschelp die behoort tot de tweekleppigen. Hij kan zo’n 1,5 meter groot worden en weegt maar liefst 250 kilo. Maar het grootste weekdier is de reuzeninktvis die – inclusief tentakels - wel 20 meter lang kan worden!

Voortplanting weekdieren
Weekdieren kennen zowel een inwendige als uitwendige voortplanting. Slakken bijvoorbeeld, paren doordat een mannetje de zaadcellen rechtstreeks inbrengt bij het vrouwtje met zijn geslachtsorgaan. Er zijn ook tweeslachtige (hermafrodiete) slakken. Deze zijn zowel man als vrouw en kunnen tijdens een groepsparing zelfs nog veranderen van mannetjes in vrouwtjes. De grotere vrouwtjes liggen hierbij onderop, de kleinere mannetjes bovenop.
Schelpen, zoals bijvoorbeeld mosselen, planten zich uitwendig voort. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes schieten hun zaadcellen respectievelijk hun eicellen het water in, waarna het wachten is tot beide cellen elkaar vinden en er een bevruchting plaatsvindt. Om deze kans te vergroten, houdt de schelp rekening met een aantal factoren zoals de stand van de maan, de watertemperatuur en veranderingen in het zoutgehalte van de zee. Het afschieten van de voortplantingscellen wordt ‘kuitschieten’ genoemd.
Hoe worden de kinderen van weekdieren geboren?

Slide 12 - Open question

This item has no instructions

eencellige 
Wormen
spiegel symmetrisch 
Geen skelet
tweeslachtig of zelfbevruchting
cuticula

Slide 13 - Slide

Kenmerken wormen
Wormen hebben over het algemeen gemeen dat ze een symmetrisch, langwerpig, relatief dun en pootloos lichaam hebben. Ze komen over de hele wereld voor en leven zowel boven als onder de grond. Sommige wormen leven in de zee of in zoet water.
Wormen kunnen heel lang worden, maar ook enkele millimeters klein zijn. De langste worm is de runderlintworm ( Taenia Saginata) die wel 10 meter lang kan worden en zowel bij mensen als runderen in de darmen voorkomt.

De regenworm heeft geen skelet, geen ogen, oren en tanden.

Huid: cuticula, deze was-achtige huid beschermt de worm tegen uitdroging


Welke klasse vallen onder de stam wormen?
A
ringwormen, spitwormen en platwormen
B
spitwormen, rondwormen en platwormen
C
platwormen, rondwormen en ringwormen

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

platworm
rondwormen
ringworm
Klasse

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

eencellige 
Sponzen
niet symmetrisch 
 kalk of hoornige skelet
tweeslachtig of zelfbevruchting
sponscellen

Slide 16 - Slide

Kenmerken sponzen
Sponzen zijn de eenvoudigste meercellige dieren. Ze lijken veel op planten en leven op de bodem van de zee.
Bij sponzen denken we het eerst aan onze badspons, een rondachtig bruin ding, dat vol gaten zit en water op kan zuigen. Dit is niet het eigenlijke sponsdier, het is slechts zijn hoornige (zelfde soort stof als waar je nagels en haar uit bestaat) skelet.

Sponzen hebben geen zenuwen en geen zintuigen. Echt weefsel hebben ze niet. Sponslichamen bestaan uit drie lagen die opgebouwd zijn uit verschillende cellen en met poriën bedekt zijn. Aan zijn gesloten uiteinde is het sponsdier vastgegroeid, met een open uiteinde staat het dier met de buitenwereld in verbinding.

voortplanting
Sponsdiertjes zijn deels tweeslachtig (beide geslachten zijn aanwezig) en deels van gescheiden geslacht. Ze kunnen zich net als poliepen voortplanten door knopvorming (uitspruiten), maar ze kunnen zich ook geslachtelijk voortplanten. Als dat het geval is worden er uit speciale zwervende cellen eicellen en zaadcellen gevormd.

Wanneer een eicel van het ene dier zich verenigt met een zaadcel van een ander dier ontstaat er een larve. Deze kan zelfstandig in het water rondzwemmen. De larve hecht zich al snel ergens aan vast en hij groeit uit tot een nieuwe spons.





Uit welke twee stoffen kan het skelet van een spons zijn opgebouwd?

Slide 17 - Open question

This item has no instructions

eencellige 
Neteldieren
veelzijdig symmetrisch 
geen skelet
tweeslachtig of zelfbevruchting
opperhuid

Slide 18 - Slide

Kenmerken neteldieren
Neteldieren (Cnidaria) zijn eenvoudig gebouwde zee- en soms zoetwaterdieren zoals zeeanemonen, kwallen (kubuskwallen of schijfkwallen) en koralen. Neteldieren leven zowel solitair als in kolonies. Meestal hebben ze geen skelet, maar wel duidelijke organen zoals een opperhuid, een maag en een eenvoudig zenuwstelsel.

In de basis bestaat een neteldier uit een zakje met één opening. Deze opening is zowel de mond als de anus. Daaromheen zitten tentakels of vangarmen. De naam neteldieren is ontleend aan de netelcellen die het dier heeft. Deze cellen zitten op de tentakels of vangarmen en kunnen een minuscuul klein harpoentje met gif afschieten. Daarmee verlammen ze hun voedsel, waarna het met de tentakels of vangarmen wordt binnengehaald.

Voorbeelden: kwallen, anamoon,




Neteldieren leven alleen in kolonies.
A
waar
B
niet waar

Slide 19 - Quiz

Neteldieren leven zowel solitair als in kolonies.
eencellige 
Stekelhuidige
veelzijdig symmetrisch 
een exoskelet.
Loslaten van voortplantingscellen
stekels

Slide 20 - Slide

Kenmerken stekelhuidige 
Stekelhuidigen hebben een soort skelet dat aan de buitenkant van hun lichaam zit.
Vaak bestaat hun lichaam uit vijf gelijke delen, zoals zeesterren met vijf armen.
Het kunnen echter ook meer delen zijn.
Het is bekend dat stekelhuidigen stukken van hun lijf die zijn afgescheurd weer
aan kunnen laten groeien. Die nieuwe armen zien er dan vaak wel afwijkend uit. De
armen van zeesterren bezitten zuignapjes. Daarmee kunnen ze zich vasthouden.
Hun stekels kunnen ze gebruiken tegen vijanden.
De meest voorkomende zee-egel is de zeeappel. Zeeappels zijn er in heel veel
kleuren en soorten, wel 800! Je kunt zeeappels veel op het strand vinden, maar dan
zijn de stekels verdwenen, die zijn afgesleten.

voortplanting
De meeste stekelhuidigen planten zich voort door het loslaten van zaad- en eicellen in het water die – als ze elkaar tegenkomen – kunnen leiden tot een bevruchting. 



Wat gebeurt er met een stekelhuidige als er een deel van hem afbreekt?

Slide 21 - Open question

Het groeit weer aan.
eencellige 
Gewervelde
spiegel symmetrisch 
inwendig skelet
geslachtelijke voortplanting
haar/ schubben/ veren

Slide 22 - Slide

Kenmerken gewervelde

Voortplanting
Vissen en amfibieën scheiden een grote hoeveelheid eitjes af, waarna het mannetje ze bevrucht. Dit vindt meestal buiten het lichaam plaats. Het afscheiden van de eitjes wordt bij beenvissen ‘paaien’ genoemd. Bij zoogdieren brengt het mannetje zijn penis in het vrouwtje, waarna in de buik de bevruchting plaats vindt. Zoogdieren zijn de enige dieren in de groep gewervelden die geen eieren leggen. De jongen van zoogdieren worden levend geboren en gezoogd met moedermelk. Vogels hebben weer een andere manier van paren: zij drukken hun cloaca’s (geslachtsorganen) tegen elkaar waarbij het sperma van het mannetje in het vrouwtje terecht komt. Ook veel reptielen hebben cloaca’s, maar een uitzondering erop zijn de krokodillen. Zij hebben net als zoogdieren een penis waarmee ze het vrouwtje bevruchten. Sommige reptielen kunnen zich voortplanten zonder mannetje. Het vrouwtje legt eieren die niet bevrucht zijn. Uit deze eieren komen jongen die identiek zijn aan het moederdier!

ademhaling
De ademhaling van de gewervelde dieren gebeurt door middel van kieuwen of longen. Bij de kieuwademhaling komt de zuurstof via water in het bloed. Bij de longademhaling wordt de lucht vrij ingeademd. Door verfijningen hebben de verschillende soorten hun longcapaciteit vergroot.
Vissen hebben slechts een eenvoudige bloedsomloop. Alle gewervelde dieren die met behulp van longen ademen, hebben net als de mens een dubbele bloedsomloop.


Welke vijf klasse vallen er onder de gewervelde?

Slide 23 - Open question

This item has no instructions

zoogdieren
vogels
amfibieën 
vissen
reptielen
Klasse

Slide 24 - Slide

Vissen: er zijn beenvissen en kraakbeenvissen. Beenvissen hebben een hard skelet en een kieuwdeksel, waarachter de kieuwen verstopt zitten. Kraakbeenvissen hebben een zacht skelet van kraakbeen. De meeste vissen zijn koudbloedig, enkelen vertonen warmbloedige trekjes. Voorbeelden: zeepaardje, haai, keizersvis. 
Amfibieën: hebben een gladde en ietwat slijmerige huid. Ze leven meestal in en bij het water en moeten vochtig blijven om niet uit te drogen. Amfibieën zijn ook koudbloedig. Voorbeelden: kikker, salamander, wormsalamander.
Reptielen: zijn herkenbaar aan hun harde, taaie huid met hoornschubben. Ze hebben longen en zijn net als vissen en amfibieën koudbloedig. Voorbeelden: slang, hagedis, schildpad, krokodil.
Vogels: hebben vleugels en veren. Ze zijn warmbloedig. Niet alle vogels kunnen vliegen, zoals de emoe en de struisvogel. Ze lopen op twee poten en alle vogels leggen een ei met een harde schaal. Voorbeelden: struisvogel, kolibrie, eend. Zoogdieren: hebben vaak een harige vacht en baren hun jongen levend. De moederdieren produceren meestal melk en daarmee voeden (zogen) ze de jongen. Ze zijn warmbloedig en hebben een groot aanpassingsvermogen. Voorbeelden: mens, olifant, vleermuis, luipaard.

Slide 25 - Slide

Hier kun je kort benoemen welke orde er onder de besproken klasse vallen.
Het plantenrijk

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Lage planten
bacteriën 
schimmels
wieren
Bacteriën hebben geen celkern en functioneren in het ecosysteem als reducent. In de rol van reducent zetten bacteriën organische stoffen om in anorganische stoffen.
Ze zijn voor hun voedingsstoffen afhankelijk van de organische stoffen uit organismen. Schimmels hebben een celkern met erfelijk materiaal en een celwand. Schimmels spelen in het ecosysteem de rol van reducenten waar ze organisch afval afbreken tot anorganische stoffen.
Wieren hebben geen wortels, geen stengels en soms bladeren. Algen zijn meestal eencellig. Wieren kunnen eencellig zijn en meercellig zijn.

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Hoge planten
Hogere sporenplanten
zaadplanten
paardenstaart
varens
mossen
bedektzadige
naaktzadige
Een paardenstaart heeft: wortels, stengels en bladeren, hout- en bastvaten, de stengels zijn hol en en bestaan uit leden. Ze planten zich voort door middel van sporen.
Bij naaktzadigen zitten de zaden tussen de schubben van kegels (bijv. dennenappels). De bladeren van naaktzadigen zijn meestal naaldvormig of schubvormig.
Een varen is een plant met wortels, stengels en bladeren. Hout- en bastvaten. De bladeren zijn groot en meestal ingesneden. Varens zijn sporenplanten. De voortplanting door sporen. De sporen ontstaan in sporenhoopjes aan de onderzijde van bladeren. Sporenplanten hebben geen bloemen.
Mossen zijn planten die geen echte wortels hebben, geen hout- en bastvaten, wel stengels en bladeren en zich voortplanten door middel van sporen.
Zaden zitten in een vrucht die beschermd wordt door vruchtvlees. Bedektzadigen hebben bloemen.

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Wat betekent taxonomie?

Slide 29 - Open question

This item has no instructions

Eindopdracht
Als jij je ecosysteem hebt getekend, kun je een dier of plant kiezen dat in dit ecosysteem leeft. Zorg ervoor dat alle dieren bij een andere stam/ klasse hoort
Veel succes!

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Welke kennis en woorden heb je nu geleerd?

Slide 31 - Mind map

This item has no instructions