Grootheden & eenheden

Grootheden & eenheden
Quiz
1 / 33
next
Slide 1: Slide
RekenenMBOStudiejaar 1

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Grootheden & eenheden
Quiz

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Gewicht is een
A
grootheid
B
eenheid

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

eenheid van inhoud
eenheid van snelheid
eenheid van tijd
eenheid van temperatuur
liter
km/u
uur
graden

Slide 3 - Drag question

This item has no instructions

200 gram+.......... gram = 1,5 kg
A
1300 gram
B
300 gram
C
1200 gram
D
1800 gram

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

3 gram + 0,5 gram is hoeveel milligram?
A
3050 mg
B
3500 mg
C
3005 mg
D
3500 ml

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

2 gram = ...... kilo-gram
A
0,002 kilo-gram
B
0,02 kilo-gram
C
0,2 kilo-gram
D
20 kilo-gram

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Het gewicht van een olifant is ongeveer:
A
4 ton
B
400 hg
C
400.000 kg
D
4.000 kg

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Liter is een ....
A
eenheid
B
grootheid

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Een liter is.......
A
1000ml
B
100ml
C
10ml
D
1ml

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Een liter is een inhoudseenheid.
Wat is gelijk aan een liter?
A
ml
B
dm
C
cc
D
dm³

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

3000 milliliter + 1 ½ liter = ... liter
A
4 ½ liter
B
3 ½ liter
C
31 ½ liter
D
45 liter

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Zet de eenheden van lengte van groot (links)  
naar klein (rechts)
km
hm
dam
m
dm
cm
mm

Slide 12 - Drag question

This item has no instructions

Hoeveel meter is 6 kilometer?

A
60
B
600
C
6000
D
60000

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Hoeveel cm³ passen in 1 dm³?
Tekst
A
10
B
100
C
1000
D
0,1

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

20 hm =

Elke stap van groot naar klein is 1 nul erbij. Elke stap van klein naar groot is 1 nul eraf
A
2000 m
B
20000 m
C
200 m
D
20 m

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

0,25 km =

Elke stap van groot naar klein is 1 nul erbij. Elke stap van klein naar groot is 1 nul eraf
A
2,5 m
B
250 m
C
25 m
D
2500 m

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Je loopt 0,8 kilometer in 10 minuten.
Hoeveel km/uur is dat?
A
4,8 km/uur
B
8 km/uur
C
10 km/uur
D
5,4 km/uur

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

3,6 m =

Elke stap van groot naar klein is 1 nul erbij. Elke stap van klein naar groot is 1 nul eraf
A
36 cm
B
3600 cm
C
360 cm
D
3,6 cm

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Sleep van klein naar groot! Maak overal cm van!
100 cm
3 m
900 cm
10 m
200 cm

Slide 19 - Drag question

This item has no instructions

Waar of Niet waar?
De Euromast is ongeveer 30 meter hoog
A
waar
B
niet waar

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Hoeveel minuten is 0,1 uur?
A
10 minuten
B
30 minuten
C
6 minuten
D
1 minuut

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Slide 22 - Drag question

This item has no instructions

Hoeveel uur zitten er in 1 week als het zomertijd wordt?
A
168
B
167
C
166
D
169

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

1 kwartaal = 
1 uur
Koppel de juiste tijdseenheden !
1 eeuw =
1 jaar =
3 maanden
100 jaar
52 weken
3 600 sec

Slide 24 - Drag question

This item has no instructions

Maak de verhoudingstabel af.
10
30
20
40
5
15

Slide 25 - Drag question

This item has no instructions


  • gebruik een verhoudingstabel.
  • Stap 1:  maak van de kilo eerst grammen
  • Stap 2: zet dit in een verhoudingstabel

Slide 26 - Open question

Gegeven: 10 euro / 1 kg
Gevraagd: Wat kost 900 gram?

10 euro             1 euro           ? =  9 euro
1000 gram      100 gram    900 gram
                   : 10                    X 9

Armand rijdt met zijn bezorgscooter gemiddeld 30 km/u.
Hij moet 3,5 km rijden naar een bezorgadres.

Hoeveel minuten doet hij er over om naar het bezorgadres te rijden?

..... min.

Slide 27 - Open question

Gegeven: = 30 km/uur   en 3,5 km
Gevraagd: hoeveel minuten

60 min      2  min         ? = 7 min
30 km         1 km           3,5 km
            : 30            x 3,5
10 oliebollen kosten 5,50 euro
Hoeveel moet je betalen voor 13 stuks?
(Tip: verhoudingstabel!)
A
6,60
B
11,00
C
7,15
D
4,40

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Hoe hoog is dit gebouw ongeveer?
A
24 meter
B
40 meter
C
12 meter

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Zet de tijdseenheden op de juiste plek
60 sec = ...
24 uur= ...
60 minuten = ...
15 minuten = ...
3 maanden
1 minuut

1 kwartaal
1 kwartier
1 uur

dag of etmaal = ...

Slide 31 - Drag question

This item has no instructions

Bij sprinten is de topsnelheid bij mannen 12 m/s
Hoeveel km per uur is dat? (43,2 km/u)
A
72 km / uur
B
37,8 km / uur
C
43,2 km / uur
D
42 km /uur

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Hoe vind je het om met LessonUp te werken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll

This item has no instructions