7, botten en gewrichten met aandoeningen

1 / 42
next
Slide 1: Slide
anatomieMBOStudiejaar 1

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Bij het bewegingsstelsel denken we aan de bewegende delen van ons lichaam, we hebben het dan over de spieren, botten en gewrichten. Nu eerst de botten en hun aandoeningen

functies skelet

Slide 2 - Mind map

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

Het skelet heeft de volgende functies:
geeft stevigheid en vorm aan je lichaam: zonder skelet zou je lichaam als een pudding in elkaar zakken
beschermt belangrijke organen: zoals hersenen, longen, hart en ruggenmerg
maakt mogelijk dat je kunt bewegen: het vormt gewrichten en spieren hechten aan de botten
zorgt voor de aanmaak van bloedcellen: in je skelet komt beenmerg voor. In de platte beenderen (bekken, borstbeen) zit het rode beenmerg dat zorgt voor de aanmaak van bloedcellen

Slide 4 - Slide

Baby’s hebben veel meer botten dan volwassenen. Een aantal botten groeit in de loop van het leven aan elkaar, zodat je als volwassene minder botten hebt.

In de afbeelding hiernaast staat het skelet van de mens weergegeven. Een aantal botten staat aangegeven met cijfers.
Sleep de namen van de botten (linkerkant) naar het juiste cijfer.
7
5
6
8
9
10
1
2
3
4
dijbeen
lendenwervel
schouderblad
knieschijf
borstwervel
scheenbeen
heiligbeen
staartbeen
borstbeen
heupbeen

Slide 5 - Drag question

This item has no instructions

Slide 6 - Slide

Botten zijn levend weefsel, dat wil zeggen dat ze kunnen aangroeien en afbreken. Het bot is als volgt opgebouwd:
Aan de buitenkant zit het botvlies met zenuwen, bloedvaten en lymfevaten.
Het botvlies omgeeft het botweefsel wat bestaat uit compact bot, de harde buitenste laag en daarin het sponsachtig bot wat voor stevigheid zorgt en ruimte heeft voor beenmerg.

Slide 7 - Slide

Het bot is in staat om op te bouwen en af te breken. De botcellen (osteocyten) meten de druk op het bot. Zodra de druk toeneemt (bijvoorbeeld bij wandelen of rennen) worden de osteoblasten geactiveerd om meer bot aan te maken.
Een bouwsteen die botten nodig hebben voor de aanmaak is kalk (calcium). Wanneer het calciumgehalte te laag is, gaan de osteoclasten het bot afbreken (botresorptie wordt dit genoemd).
Op jonge leeftijd zijn de osteoblasten in de meerderheid, er is meer sprake van botopbouw. Wanneer je > 30 jaar bent, komen de osteoclasten in de meerderheid en worden de botten zwakker.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Slide 9 - Slide

Er zijn 5 soorten botten:
Allereerst pijpbeenderen met groeischijf. Door de groeischijf kan het bot in de lengte groeien. De schijf verdwijnt zodra een kind is uitgegroeid. 
Er zijn korte beenderen, die meerdere richtingen op kunnen (denk aan vingerkootjes) en platte beenderen voor bescherming, zoals de schedel
Daarnaast zijn er nog onregelmatige beenderen die vooral nut hebben voor de steun en aanhechting, zoals bijvoorbeeld de wervelkolom
Als laatste zijn er de sesambeenderen, deze ontstaan door druk of wrijving. Het aantal sesambeenderen verschilt per persoon. Je wordt niet met sesambeenderen geboren. Het bekendste sesambeentje is de knieschijf. 

wat is een voorbeeld van een sesambeen ?
A
botjes in de pols
B
knieschijf
C
botjes in de voet
D
onderkaak

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een voorbeeld van een pijpbeen ?
A
bovenbeen
B
schedel
C
vingerkootjes
D
schouderblad

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Slide 12 - Slide

Er zijn een aantal dingen van belang voor een goede botopbouw. Voldoende Vit D o.a. door zonlicht. Vit D hebben we nodig voor de aanmaak van calcium, daarnaast zijn magnesium en lichaamsbeweging van belang.

Slide 13 - Slide

De botten in het skelet zijn vaak met één of meerdere botten verbonden. Botten kunnen aan elkaar verbonden zijn door een gewricht, kraakbeen of een naad. Een naad zie je bijvoorbeeld bij de fontanel, het is niet mogelijk om de schedel te bewegen. Bij kraakbeen is enige beweging mogelijk. Er zijn 2 soorten kraakbeen: hyalienwaar enige beweging mogelijk is zoals bijvoorbeeld bij de ribben en het borstbeen. Hier is beweging noodzakelijk ivm de ademhaling.
Het vezelig kraakbeen kan nauwelijks bewegen, dit zijn bijvoorbeeld de tussenwervelschijven.
De derde verbinding zijn de gewrichten in ons lichaam.

Slide 14 - Slide

Door de gewrichten is het mogelijk om een beweging te maken. De botuiteinden liggen tegen elkaar en passen in elkaar. Botuiteinden die in een gewricht tegen elkaar liggen, heten gewrichtsoppervlakken. Meestal is het ene gewrichtsvlak hol en het andere bol.

je zag het femur en de tibia. welke botten zijn dit ?
A
ellepijp en spaakbeen
B
scheenbeen en kuitbeen
C
scheenbeen en bovenbeen
D
spaakbeen en opperarmbeen

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Slide 17 - Slide

Gewrichten worden ingedeeld naar vorm en bewegingsmogelijkheid
Kogelgewricht - schouder en heup
Eigewricht - pols
Zadelgewricht - duim
Scharniergewricht – ellenboog en knie
Rolgewricht - eerste en tweede nekwervel

Waar in ons lichaam zit een zadelgewricht?
A
in het bekken
B
in de hals
C
in de hand
D
in de heup

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

wat is een voorbeeld van een kogelgewricht?
A
de heup
B
de pols
C
de elleboog
D
de draaier en atlas

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Slide 21 - Slide

Normaal gesproken is er balans tussen botopbouw en botafbraak. Bij osteoporose is de botafbraak veel groter dan de botopbouw. Hierdoor vallen gaten in het bot.

Hoe heet deze aandoening?
afbraak > opbouw
A
arteriosclerose
B
osteoporose
C
artrose
D
dystrofie

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Slide 23 - Slide

Osteoporose betekent ook letterlijk poreus bot. De botmassa neemt dus af, er is een verstoring in de botmatrix. Even terug naar de eerste periode. Bindweefsel, bestaat uit 3 delen: Cellen, vezels en tussencelstof. De vezels en tussencelstof vormen de matrix. Zij zijn in een bepaalde verhouding aanwezig, bij osteoporose is de verhouding verstoord. Ook is bij osteoporose een tekort aan kalk waardoor het botweefsel minder sterk is.

Slide 24 - Slide

Leeftijd. Hoe ouder hoe meer kans op osteoporose.
Geslachtshormonen. Vrouwen hebben na de menopauze een verhoogde kans op osteoporose door daling van de hoeveelheid oestrogenen in het lichaam.
Bijwerkingen medicatie. Vooral prednison, maar ook laxeermiddelen, maagzuurbindende middelen, antidepressiva, anti-epileptica en chronisch heparinegebruik, kunnen osteoporose veroorzaken. De bijwerking betreft dan ontkalking van het skelet.
Te weinig beweging. Denk hierbij aan rolstoelgebruikers of bedlegerige zorgvragers.
Tekort aan vitamine D. Door bijvoorbeeld slechte voeding raakt de opname van calcium uit de darmen verstoord. Calcium wordt dan onttrokken uit het botweefsel, wat de botten zwakker maakt.
Bepaalde ziekten of aandoeningen. Een te hard werkende schildklier, astma, reuma, bepaalde darm- en huidziekten, diabetes mellitus (suikerziekte), anorexia nervosa en levercirrose (verschrompeling van de lever), kunnen osteoporose veroorzaken.
Overige risicofactoren, zoals onvoldoende calcium via voeding binnenkrijgen, roken, veel koffie- en/of alcoholgebruik, te weinig buitenlucht, orgaantransplantatie.

Slide 25 - Slide

Van osteoporose merk je in een vroeg stadium meestal niets, tot je een bot breekt. Pas dan ontstaat pijn.
Ademhalingsmoeilijkheden. Deze kunnen optreden wanneer het bovenste gedeelte van de wervelkolom is aangetast.
Een ander verschijnsel van osteoporose is het langzaam inzakken van de wervelkolom. Dit geeft vooral pijn bij het opstaan en bij beweging. De zorgvragers kan hierdoor een voorovergebogen houding gaan aannemen.

Slide 26 - Slide

Osteoporose gaat vaak gepaard met pijnklachten:
Botpijn terwijl niet altijd sprake is van een botbreuk;
Spierpijn veroorzaakt door een veranderd houdings- en looppatroon;
Neuropathische pijn veroorzaakt door inzakking van de wervelkolom, waardoor druk op de uittredende zenuwbanen kan optreden.

Slide 27 - Slide

Elke 4 minuten een 65 plusser op de SEH ivm valpartij!

Slide 28 - Slide

TENS is een afkorting voor “Transcutane Elektrische Zenuwstimulatie”
TENS apparaten leveren zachte en veilige elektrische stroompjes op de huid waardoor de zenuwen onder de huid worden geprikkeld . Belangrijke effecten van deze prikkelingen:
-verstoring van de zenuwpijn geleiding waardoor je minder pijn ervaart,
-aanmaak in opdracht van de hersenen van lichaamseigen pijnstillende stoffen zoals endorfine
-spierontspannende werking

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Spieren
Leerdoelen
> Je kunt de werking van spieren beschrijven
> Je kunt de voorbeelden noemen van bewust en onbewuste spierbewegingen


Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Einde les
Wat neem je mee?
Wat heb je geleerd ??

Slide 31 - Open question

This item has no instructions

Slide 32 - Video

This item has no instructions

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn de functies van spieren?
A
Transport binnen het lichaam
B
Beschermt tegen uitdroging
C
Zorgt ervoor dat je lichaam rechtop kan staan en bewegen

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het witte gedeelte bij de spier?
A
Een pees
B
Een spier
C
Een bot
D
Een gewricht

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Slide 37 - Slide

This item has no instructions

Welke antagonistenparen ken je ?

Slide 38 - Open question

This item has no instructions

Antagonistisch paar

antagonist > tegenhanger

Biceps: buigspier
Triceps: strekspier

Slide 39 - Slide

This item has no instructions

Wat voor soort andere spieren zijn er naast skeletspieren?
A
Hersenspieren
B
Eetspieren
C
Reflexspieren
D
Orgaanspieren

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions

Slide 41 - Video

This item has no instructions

Waarom streven sommige sporters naar verlate spierpijn ?

Slide 42 - Open question

This item has no instructions