Pub Quiz verpleegtechnische vaardigheden

PUB QUIZ
VPT vaardigheden
1 / 40
next
Slide 1: Slide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

PUB QUIZ
VPT vaardigheden

Slide 1 - Slide

Instructie
Stap 1: Vorm een groepje van 3 tot 4 personen
Stap 2: Bedenk aan teamnaam
Stap 3: log op 1 telefoon in via LessonUp (geen extra telefoons/laptops toegestaan)
Stap 4: Speel mee met de quiz! 5 rondes, 30 vragen !PRIJS!

Slide 2 - Slide

Ronde 1
Verpleegkunde algemeen (7 vragen)

Slide 3 - Slide

1. Wat is de medische term voor een 'kneuzing'?
A
Conservatief
B
Contractuur
C
Curettage
D
Contusie

Slide 4 - Quiz

2. Hoe werd Florence Nightingale ook wel genoemd?
A
Vrouw met de bezem
B
Vrouw met de lamp
C
Vrouw met de hamer
D
Vrouw met de klok

Slide 5 - Quiz

Welke datum is de dag van verpleging?
A
12 maart
B
13 april
C
12 mei
D
1 2 juni

Slide 6 - Quiz

3. In welke stad in China brak het coronavirus in 2019 uit?
A
Hubei
B
Guangdong
C
Wuhan
D
Jiungsau

Slide 7 - Quiz

4. Wat is een venapunctie?
A
Toedienen van medicatie rechtstreeks in de bloedbaan
B
Bloed afnemen door aanprikken vene
C
Bloed afnemen door aanprikken arterie
D
Bloed toedienen via een bloedvat

Slide 8 - Quiz

5. Welke observatie hoort bij het meten van de vitale functies?
A
Controle van medicatievoorschriften
B
Beoordelen huidturgor
C
Meten van de hartslag
D
Pijnscore afnemen

Slide 9 - Quiz

6. Wat is de eerste stap in de ABCDE methode bij een acute situatie?
A
Controleren van de hartfrequentie
B
Beoordelen van de circulatie
C
Stabiliseren van de wervelkolom
D
Vrijmaken van de luchtweg

Slide 10 - Quiz

7. Welke schaal wordt vaak gebruikt om de bewustzijnstoestand van een patiënt te beoordelen?
A
Norton-schaal
B
Glasgow Coma Scale (GCS)
C
Barthel-index
D
Braden-schaal

Slide 11 - Quiz

Ronde 2
Stoma's (5 vragen)

Slide 12 - Slide

Kijk even naar deze afbeelding..

Slide 13 - Slide

1. Om welke stoma gaat het hier?
A
Een urostoma
B
Een ileostoma
C
Een colonstoma
D
Een pancreasstoma

Slide 14 - Quiz

2. Hoeveel mensen in Nederland hebben een colo-, ileo of urostoma?
A
1500
B
15.000
C
38.000
D
84.000

Slide 15 - Quiz

3. Welke soorten stomasystemen worden gebruikt bij patiënten met een stoma?
A
1- en 2 delig systeem
B
Open en gesloten systeem
C
Intermitterend en continue systeem
D
Permanent en tijdelijk systeem

Slide 16 - Quiz

4. Waarmee reinig je de huid rondom het stoma?
A
Kraanwater
B
Steriel water
C
Alcohol
D
Nacl 0,9%

Slide 17 - Quiz

5. Hoelang druk je de huidplaat rondom de stoma aan?

A
20 seconden
B
30 seconden
C
1 minuut
D
2 minuten

Slide 18 - Quiz

Ronde 3
Suprapubische katheter (5 vragen)

Slide 19 - Slide

1. Bij welke van de volgende situaties mag een suprapubische katheter niet worden geplaatst?
A
Een patiënt met overgewicht
B
Een patiënt met een blaastumor die de blaas wegduwt
C
Een patiënt met een voorgeschiedenis van een urineweginfectie.
D
Leeg problemen van de blaas

Slide 20 - Quiz

2. Wat betekent de term 'suprapubisch'?
A
Onder het schaambeen
B
Boven het schaambeen
C
Naast het shaambeen
D
In het schaambeen

Slide 21 - Quiz

3. Waarom is het belangrijk dat een SPC katheter redelijk snel wordt verwisseld?
A
Het fistel kan pijn gaan doen als het open ligt
B
Omdat de fistel binnen 1 tot 6 uur kan dichtgroeien
C
Om verstopping van de katheter te voorkomen
D
Omdat de fabrikant dit voorschrijft

Slide 22 - Quiz

4. Wat is een voordeel van het gebruik van een suprapubische katheter?
A
Minder kans op beschadiging of irritatie van de urinebui
B
Minder kans op nierstenen
C
Minder kans op obstipatie
D
Minder kans op bloedingen in de blaas

Slide 23 - Quiz

5. Wat moet je doen als de fistelopening begint te bloeden tijdens de katheterisatie?
A
De katheter voorzichtig gebruiken en afwachten
B
De katheter verwijderen en de bloeding negeren
C
Stoppen met de katheterisatie en de arts raadplegen
D
De katheter vervangen door een nieuwe

Slide 24 - Quiz

Ronde 3
Katheteriseren vrouw (5 vragen)

Slide 25 - Slide

1. Wat moet je doen bij het katheteriseren van een vrouw?
A
De patiënt op de zij leggen met de benen uitgestrekt
B
Op de rug laten liggen met de benen gespreid en knieën opgetrokken
C
De patiënt laten staan met de benen licht gebogen
D
De patiënt op de buik laten liggen met de benen dicht bij elkaar

Slide 26 - Quiz

2. Wat moet je doen als de zorgvrager niet goed plat kan liggen tijdens het inbrengen van een katheter?
A
De zorgvrager in een halve zittende positie brengen
B
De zorgvrager in een liggende positie houden en wachten
C
De zorgvrager in een rechtopstaande positie plaatsen
D
De zorgvrager op de zij laten liggen

Slide 27 - Quiz

3. In welke situatie wordt een tripellumenkatheter (driewegkatheter) vaak gebruikt?
A
Bij de behandeling van een blaasontsteking
B
Bij een bloeding van een blaastumor
C
Bij het behandelen van nierstenen
D
Bij het inbrengen van een tijdelijke verblijfskatheter

Slide 28 - Quiz

4. Welke lengte katheter gebruik je standaard bij vrouwen?
A
15 cm
B
20 cm
C
25 cm
D
30 cm

Slide 29 - Quiz

5. Wat betekent het als iets steriel is?
A
Het is vrij van bacteriën, virussen en andere micro-organismen
B
Het bevat geen chemische stoffen
C
Het is veilig om in contact te komen met de huid
D
Het is volledig droog en bevat geen water

Slide 30 - Quiz

Ronde 4
Katheteriseren man (5 vragen)

Slide 31 - Slide

1. Voor welke situatie zijn Tiemann-katheters met een licht gebogen tip speciaal geschikt?
A
Voor mannen met nierstenen
B
Voor mannen met prostaathypertrofie
C
Voor mannen met een verzwakte blaaswand
D
Voor mannen met een lage urinestraal

Slide 32 - Quiz

2. Wat is de gemiddelde hoeveelheid urine die een zorgvrager per uur zou moeten verliezen na het inbrengen van een katheter?
A
30 ml per uur
B
60 ml per uur
C
90 ml per uur
D
120 ml per uur

Slide 33 - Quiz

3. Wat moet je doen als een katheter verstopt raakt?
A
Deze verwijderen en de blaas rust geven
B
Verwisselen en deze eventueel spoelen
C
Met kracht doorspuiten met een 60cc spuit
D
Reinigen en niet wisselen

Slide 34 - Quiz

4. Hoe dien je glijmiddel correct toe in de urethra?
A
Spuit 10-15 ml glijmiddel snel in de urethra.
B
Spuit 10-15 ml glijmiddel langzaam in de urethra
C
Spuit 5 ml glijmiddel in
D
Breng 20 ml glijmiddel in

Slide 35 - Quiz

5. Welke techniek helpt weerstand te verminderen bij het katheteriseren van een man?
A
De katheter iets terugtrekken en opnieuw proberen
B
De cliënt vragen te zuchten, fluiten of hoesten
C
De katheter snel doorduwen
D
Een grotere maat katheter gebruiken.

Slide 36 - Quiz

Ronde 5
Blaasspoelen (3 vragen)

Slide 37 - Slide

1. Bij welke indicatie wordt blaasspoelen toegepast om chemotherapie toe te dienen?
A
Blaaspijn
B
Blaaskanker
C
Urineweginfectie
D
Verstopte blaaskatheter

Slide 38 - Quiz

2. Wat is een indicatie voor blaasspoelen bij bloedstolsels of bezinksels in de blaas?
A
Het bevorderen van het afweersysteem
B
Het vrijmaken van de blaas van verstoppingen
C
Het herstellen van de slijmvlieslaag
D
et toedienen van chemotherapie

Slide 39 - Quiz

3. Welke van de volgende handelingen is belangrijk bij het uitvoeren van blaasspoelen?
A
De blaas moet volledig leeg zijn voor de spoeling.
B
Spoelvloeistof moet altijd koud zijn
C
De katheter continu draaien tijdens het spoelen
D
Spoelvloeistof moet langzaam in de blaas worden ingebracht.

Slide 40 - Quiz