H5 Ir de tiendas

Capítulo 5 
IR DE TIENDAS EN MADRID
  • Vocabulario "moda"
  • Los posesivos
  • los números
  • futuro inmediato
1 / 42
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1-3

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Capítulo 5 
IR DE TIENDAS EN MADRID
  • Vocabulario "moda"
  • Los posesivos
  • los números
  • futuro inmediato

Slide 1 - Slide

Los posesivos

Wat zijn bezittelijk voornaamwoorden? 

bezittelijk voornaamwoorden

Slide 2 - Slide

Posesivos 
Enkelvoud

Mi
Tu
Su
Nuestro / Nuestra
Vuestro / Vuestra
Su
Meervoud

Mis
Tus
Sus
Nuestros / Nuestras
Vuestros / Vuestras
Sus



Mijn
Jouw
Zijn / haar / Uw
Ons / onze
Jullie
Hun

Slide 3 - Slide

Los posesivos

Slide 4 - Slide

Let op!

In het Spaans richt het bezittelijke voornaamwoord zich naar het zelfstandig naamwoord dat in de zin staat >   MANNELIJK / VROUWELIJK en ENKELVOUD / MEERVOUD

Voorbeeld enkelvoud / meervoud
mi coche / mis coches

Voorbeeld mannelijk / vrouwelijk 
nuestro hermano / nuestra casa
nuestros hermanos / nuestras casas
                                                      
                                                     


anders dan in het Nederlands

Slide 5 - Slide

Sleep de Nederlandse bezittelijke voornaamwoorden naar de juiste Spaanse bijbehorende posesivos
mi(s)
vuestro/a/os/as
su(s)
tu(s)
nuestro/
a/os/as
mijn
uw
jouw
hun
zijn
jullie
haar
ons/onze

Slide 6 - Drag question


Yo vivo con _______tíos.
A
mi
B
sus
C
su
D
mis

Slide 7 - Quiz


¿Ellas son ..(vosotros).. amigas?
A
Vuestras
B
Vuestros
C
Nuestras
D
Nuestros

Slide 8 - Quiz



¿Te gusta ______ casa?
A
tu
B
tus
C
su
D
sus

Slide 9 - Quiz


Lu y Tim pasan __vacaciones en Italia.
A
tu
B
su
C
tus
D
sus

Slide 10 - Quiz

Es el libro de Pablo y Isabel.
Es ....... libro
A
Su
B
Sus
C
Vuestro
D
Tu

Slide 11 - Quiz

Schrijf de bezittelijke voornaamwoorden die in de tekst staan op in je schrift
Hola. Me llamo Pepe. Tengo 14 años. Tengo dos hermanas: Isa y Marisa. Vivimos en Madrid. Nuestro padre es muy alto y nuestra madre es rubia. Mi hermana Isa tiene 12 años y mi hermana Marisa casi 6. Isa es muy inteligente y alegre. Marisa es muy graciosa. Mi tía tiene una hija y dos hijos gemelos. Sus hijos tienen 2 años . ¿Cómo es tu familia ? 
timer
5:00

Slide 12 - Slide

Welke nummers hoor je hier?

Slide 13 - Open question

Schrijf uit in het Spaans:
556 euros

Slide 14 - Open question

33 spijkerbroeken

Slide 15 - Open question

467 rokken

Slide 16 - Open question

381 winterjassen

Slide 17 - Open question

Schrijf in getallen: setecientos veintinueve

Slide 18 - Open question

Schrijf in getallen: ciento sesenta

Slide 19 - Open question

Schrijf in getallen: dos mil veintiuno

Slide 20 - Open question

Welke nummers hoor je hier?

Slide 21 - Open question

Welke nummers hoor je hier?

Slide 22 - Open question

Welke nummers hoor je hier?

Slide 23 - Open question

Welke nummers hoor je hier

Slide 24 - Open question

Welke nummers hoor je hier

Slide 25 - Open question

Welke nummers hoor je hier?

Slide 26 - Open question

Zet de nummers op volgorde van klein naar groot
ocho
once
quince
trece
cuatro
nueve
veinte
dieciocho

Slide 27 - Drag question

Schrijf in het spaans: 14

Slide 28 - Open question

Schrijf in het spaans: 15

Slide 29 - Open question

cien/ciento
doscientos cuarenta y nueve
cuatrocientos sesenta y ocho
mil
quinientos cincuenta y cinco
ciento dos
noventa y nueve con cincuenta
setenta y cuatro con noventa

102
100

99,50
   
249

555
468
74,90



1000

Slide 30 - Drag question

Weet jij de betekenis van deze Spaanse regelmatige werkwoorden? 
Zet de juiste bij elkaar.
comer
Tener
hablar
vivir
cantar
ir
leer
escuchar
poder
Estar
beber
querer
kunnen
gaan
hebben
drinken
praten
leven, wonen
luisteren
eten
willen
Zijn/ zich bevinden
zingen
lezen

Slide 31 - Drag question

Nu volgen er vragen over "ir a"

Slide 32 - Slide

Werkwoord  ir (gaan naar)
ik ga
voy a
jij gaat
vas a
hij/zij gaat
va a
wij gaan
vamos a
jullie gaan
vais a
zij gaan
van a

Slide 33 - Slide

Vul de juiste vorm in van het werkwoord ir a (gaan naar).
1. Celeste y yo ___________ comer algo antes de ir a la cama.
2. Rogier y Stan_________ ir de excursión a Toledo.
3. ¿(Tú) ________ bailar todos los días a la discoteca?
4. Yo __________ estudiar todos los días hasta el examen.
5. ¿Christina y Demi _________a asistir al concierto?
6. Larissa _________ a correr en el maratón de febrero.

Slide 34 - Open question

Tú _________ con el jefe.
A
vas hablar a
B
a van hablas
C
vas a hablar
D
van a hablar

Slide 35 - Quiz

Él _________ para el examen.
A
va a estudiar
B
vais a estudiar
C
a estudiar va
D
van a estudia

Slide 36 - Quiz

Paula y yo _________ comprar el pan.

Slide 37 - Open question

Tú y tu familia ____ escuchar la radio.

Slide 38 - Open question

Mis hermanas y Juana _____ preguntar la hora.

Slide 39 - Open question

Voorbereiding vóór de video:
Jullie gaan een video kijken over Madrid, de hoofdstad van Spanje. 
Let tijdens het kijken op:
Welke belangrijke plekken of bezienswaardigheden worden genoemd?
Wat valt je op aan het leven en de cultuur in Madrid?

Slide 40 - Slide

Slide 41 - Video

Welke plek in Madrid vond je het meest interessant en waarom?
Wat kun je vertellen over het Koninklijk Paleis in Madrid?
Stel je voor dat je één van de plekken die in de video werden genoemd mag bezoeken. Welke zou je kiezen en waarom?
timer
2:00

Slide 42 - Open question