hoofdstuk 3 en 4

 Hfd 3 en 4
1 / 36
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

 Hfd 3 en 4

Slide 1 - Slide

Hoe noemen we de periode tussen 2 oorlogen?
A
Interbellum
B
Tussentijd
C
La belle epoque
D
Roaring twenties

Slide 2 - Quiz

In welke periode was het Interbellum?
A
1917-1945
B
1919-1939
C
1918-1939
D
1919-1940

Slide 3 - Quiz

Welke volgorde van Russische leiders van vroeger naar later is juist?
A
Tsaar - Stalin - Lenin
B
Lenin - Stalin - Tsaar
C
Tsaar - Lenin - Stalin
D
Stalin - Lenin - Tsaar

Slide 4 - Quiz

Hoe noem je reclame maken voor je eigen ideeën (vaak politieke ideeën)?
A
propaganda
B
persoonverheerlijking
C
interbellum
D
totalitairisme

Slide 5 - Quiz

Wie is de persoon op de foto?
A
Benito Mussolini
B
Adolf Hitler
C
Anton Mussert

Slide 6 - Quiz

Mussolini was een
A
democraat
B
communist
C
nationaal socialist
D
fascist

Slide 7 - Quiz

Wat is GEEN kenmerk van het fascisme?
A
nationalisme
B
een sterke leider
C
gebruik van geweld
D
democratie is noodzakelijk

Slide 8 - Quiz

Waar hoort het volgende kenmerk bij:
Iedereen is gelijk
A
Communisme
B
Fascisme

Slide 9 - Quiz

Welk kenmerk van fascisme zie je hier?
A
persoonverheerlijking
B
nationalisme
C
geen democratie
D
verheerlijking van geweld

Slide 10 - Quiz


Welke ideologie (gedachtegoed) had de Sovjet Unie?
A
Communisme
B
Kapitalisme
C
Nationalisme
D
Fascisme

Slide 11 - Quiz

Planeconomie hoort bij
A
Mussolini
B
Stalin
C
Lenin
D
Hitler

Slide 12 - Quiz

Wie is deze man?
A
Lenin
B
Stalin
C
Mussert
D
Mussolini

Slide 13 - Quiz

Een vrouw laat haar kachel branden op papiergeld. Waar en wanneer is deze foto gemaakt?

A
in de Verenigde Staten, kort na de beurskrach van 1929
B
in Duitsland, tussen 1921 en 1924, toen de inflatie extreem hoog was
C
in Italië, kort nadat Mussolini aan de macht kwam.
D
in de Republiek van Weimar, direct nadat de keizer naar Nederland was gevlucht

Slide 14 - Quiz

Welk begrip past bij de bron?
A
Collectivisatie
B
Strafkamp
C
Showproces
D
Planeconomie

Slide 15 - Quiz

Welk begrip wordt er bedoeld met ...
"schaalvergroting van de landbouwbedrijven"
A
grote terreur
B
planeconomie
C
werkverschaffing
D
collectivisatie

Slide 16 - Quiz

Vraag en aanbod bepalen hoeveel auto's er gemaakt worden.
A
Planeconomie
B
vrijemarkteconomie
C
vrije economie
D
slimme economie

Slide 17 - Quiz

Stalin organiseerde showprocessen. Welke reden had hij daarvoor?

A
Zo liet hij zien dat hij beter was dan zijn voorganger, die mensen zonder proces in strafkampen liet opsluiten.
B
Dankzij de showprocessen werd duidelijk dat de planeconomie goed werkte.
C
Dankzij de showprocessen leek het alsof er in de Sovjet-Unie een eerlijke rechtspraak was.
D
Door de showprocessen werd Stalin steeds populairder, ook bij zijn tegenstanders.

Slide 18 - Quiz

In welk jaar begon de economische crisis?
A
1919
B
1928
C
1929
D
1939

Slide 19 - Quiz

De Beurskrach houdt in:
A
De economische crisis van 1929
B
De daling van de welvaart
C
De ineenstorting van de aandelenkoers op de beurs van Wallstreet

Slide 20 - Quiz

Wat is de directe aanleiding tot de economische crisis van 1929?
A
Er ontstaat paniek op de beurs: mensen verkopen hun aandelen
B
Fabrieken hebben een te grote voorraad
C
Mensen kopen spullen op afbetaling

Slide 21 - Quiz

Wat stond niet in het Verdrag van Versailles?
A
Duitsland moet grondgebied afstaan
B
Duitsland moet leningen aan de VS afbetalen
C
Het Duitse leger mag niet meer dan 100.000 soldaten hebben
D
De Duitsers moeten grote bedragen aan schadevergoeding betalen

Slide 22 - Quiz

Drie gebeurtenissen:
1. Hitler komt aan de macht
2.De Fransen bezetten het Ruhrgebied
3.De Beurskrach
Wat is de goede volgorde? Begin bij het langst geleden.
A
1-2-3
B
2-3-1
C
3-1-2
D
3-2-1

Slide 23 - Quiz

De nationaal socialisten vonden het Verdrag van Versailles zeer rechtvaardig voor Duitsland
A
waar
B
niet waar

Slide 24 - Quiz

Wat hoort wel bij nationaal socialisme maar niet bij fascisme?
A
Tegen democratie
B
Tegen het communisme
C
Voor geweld
D
Tegen Joden

Slide 25 - Quiz

Hoe kwam Hitler aan de macht?
A
Hij pleegde een staatsgreep
B
Hij erfde het Duitse Keizerrijk van zijn vader
C
Hij pleegde fraude bij de verkiezingen
D
Hij werd democratisch gekozen

Slide 26 - Quiz

Vooraf controleren van de pers
A
Gelijkschakeling
B
Indoctrinatie
C
propaganda
D
censuur

Slide 27 - Quiz


Welk kenmerk van Stalinisme herken je in de bron hiernaast?
A
Censuur
B
Persoonsverheerlijking
C
Propaganda
D
Showprocessen

Slide 28 - Quiz

Welke bondgenootschappen waren er in de Tweede wereldoorlog?
A
De Asmogendheden en de Geallieerden
B
De Centralen en de Geallieerden

Slide 29 - Quiz

de asmogendheden
de Geallieerden
Duitsland
Japan
Italie
De VS
Engeland
Frankrijk
Sovjet-Unie

Slide 30 - Drag question

Hoe heette de Nederlandse partij die achter de nazi's stond?
A
nsb
B
nsdap

Slide 31 - Quiz

Wie was de leider van de NSB?

Slide 32 - Open question

Welke politiek voerde de Nederlandse Colijn in de jaren dertig om de crisis tegen te gaan?

Slide 33 - Open question

Zet de volgende gebeurtenissen in de juiste volgorde.
R12
DDay
Moltov-Ribbentrop pact
Inval in Polen
Slag om Stalingrad
Bezetting van Nederland

Slide 34 - Drag question

Zet de volgende gebeurtenissen in de juiste volgorde.
R13
Fase 1: Pesten en vernederen
Fase 2: Uitsluiten
Fase 3: Ghetto's
Fase 4: Uitroeing
Terezien stad

Slide 35 - Drag question

De tweede wereldoorlog eindigde doordat

Slide 36 - Open question