Taalverzorging 4.3 Verwijzen

Waarom gebruik je verwijswoorden?
1 / 22
next
Slide 1: Open question
NederlandsMBOStudiejaar 2,3

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Waarom gebruik je verwijswoorden?

Slide 1 - Open question

Je gebruikt verwijswoorden om herhaling te voorkomen. Daardoor wordt jouw tekst interessanter.

Slide 2 - Slide

Bobby speelt graag met zijn bot. Bobby pakt dan Bobby's bot. Bobby brengt het daarna naar Bobby's baasje, zodat Bobby's baasje de andere kant van het bot vast kan houden.
Bobby speelt graag met zijn bot. Hij pakt dan zijn bot. Hij brengt het daarna naar zijn baasje, zodat hij de andere kant van het bot vast kan houden.

Slide 3 - Slide

Let op: het moet wel duidelijk blijven wie/ wat je bedoelt.
De juf gaf Lisa haar proefwerk terug. Ze was tevreden met het resultaat.
Wie is er nu tevreden met het resultaat, de juf of Lisa?
De juf gaf Tom zijn proefwerk terug. Hij was tevreden met het resultaat.
De juf gaf Tom zijn proefwerk terug. Zij was tevreden met het resultaat.

Slide 4 - Slide

Naar welk woord wordt verwezen met 'het'?:
"Bruinbrood is gezond, omdat het veel vezels bevat."
A
gezond
B
bruinbrood

Slide 5 - Quiz

Naar welk woord wordt verwezen met 'hem'?:
"Het verbaast me dat deze brief nog niet in uw bezit is. Ik heb hem vorige week gestuurd."
A
brief
B
bezit

Slide 6 - Quiz

Naar welk woord wordt verwezen met 'haar'?:
"De directie is als gevolg van het advies teruggekomen op haar beslissing."
A
directie
B
advies

Slide 7 - Quiz

Naar welk woord wordt verwezen met 'zijn'?:
"Het buurtcentrum heeft zijn activiteiten gestaakt, omdat het geen subsidie meer krijgt."

Slide 8 - Open question

Slide 9 - Slide

Verbeter het foute verwijswoord 'dat' in onderstaande zin.
"Marit heeft hun ooit haar boeken geleend, maar DAT hebben Rosa en Nico nooit teruggegeven."

Slide 10 - Open question

Verbeter het foute verwijswoord 'deze' in onderstaande zin.
"Enkele leden van deze comité zijn al sinds 2013 bij de organisatie van deze roeiwedstrijden betrokken.'

Slide 11 - Open question

Kijk, dat is de jas ... ik zo graag wil
A
die
B
dat
C
wat

Slide 12 - Quiz

Waar is het wasmiddel ... ik gisteren gekocht heb?
A
die
B
dat
C
wat

Slide 13 - Quiz


Marloes ging vervolgens de regiomanager bellen, ... ik niet zo verstandig vond.
A
die
B
dat
C
wat

Slide 14 - Quiz


Dat was echt het laatste ... ik van haar verwacht had.
A
die
B
dat
C
wat

Slide 15 - Quiz


Dat is de beste grap ... ik in tijden heb gehoord.
A
die
B
dat
C
wat

Slide 16 - Quiz


Alles ... je hier ziet, is te koop
A
die
B
dat
C
wat

Slide 17 - Quiz

Met wie/ waarmee, over wie/ waarover
Naar dieren/ dingen verwijs je met waar + voorzetsel
Het voorstel waarover we spraken, is aangenomen.

Naar mensen verwijs je met voorzetsel + wie
Mijn mentor, met wie ik heb overlegd, vindt mijn voorstel goed.

Slide 18 - Slide


De klant... je vanochtend je kaartje hebt gegeven, heeft zojuist gebeld
A
aan wie
B
waaraan

Slide 19 - Quiz


Mevrouw Kievits, de boekhouder... ik je eerder mailde, krijgt de kwartaalaangifte niet op tijd klaar.
A
over wie
B
waarover

Slide 20 - Quiz


Is je opmaak van je verslag iets ... je je druk moet maken?
A
over wie
B
waarover

Slide 21 - Quiz

Welk woord moet op de plaats van de puntjes komen staan?
In vak C zitten supporters... ik liever niet in aanraking kom.

Slide 22 - Open question