Examentraining gedrag

Gedrag.
BI/V/2 Gedrag bij mens en dier
1 / 48
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Gedrag.
BI/V/2 Gedrag bij mens en dier

Slide 1 - Slide

Wat is gedrag?
A
het maken van alle bewegingen van een mens of een dier.
B
alles wat een dier of mens doet, dus ook zweten en huilen.
C
alles wat een dier doet om zijn baasje het naar zijn zin te maken.
D
een respons

Slide 2 - Quiz

Gedrag:
Alle waarneembare activiteiten van een dier of een mens.
Ethologie: studie van gedrag van dieren.

Slide 3 - Slide

Mira is buiten aan het werk. Ze krijgt het warm en trekt haar jas uit.
Is het uittrekken van haar jas een respons op een inwendige of op een uitwendige prikkel?
A
inwendige prikkel
B
uitwendige prikkel

Slide 4 - Quiz

Gedrag beschrijven
Objectief!
*ethogram 
lijst van alle soorten gedrag die bij een dier voorkomen.

*protocol
lijst van waargenomen gedragingen bij een dier.

Slide 5 - Slide

ethogram
protocol

Slide 6 - Slide

Gedragsketen
vaste gedragingen die elkaar opvolgen

Slide 7 - Slide

Een gedragsketen vindt uitsluitend plaats tussen twee individuen van een verschillende soort
A
Juist
B
Onjuist

Slide 8 - Quiz

Hoe heet een opeenvolging van handelingen waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling?
A
ethologie
B
gedragsketen
C
respons

Slide 9 - Quiz

Sleutelprikkel

is een prikkel die steeds tot dezelfde vaste respons leidt.

een dier wordt door zijn erfelijke aanleg ''gedwongen'' om op de sleutelprikkel te reageren.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Supranormale prikkels

Een koekoek heeft  een felgekleurdere snavel en zal dus meer te eten krijgen van zijn pleegouders.


=een prikkel waar sterker op gereageerd wordt.

Slide 13 - Slide

Aangeboren

alles wat je meteen al kan is aangeboren gedrag.

Bij dieren noem je dit ook wel instinct


Bijvoorbeeld: 

gapen

dieren die meteen na geboorte kunnen opstaan en lopen




Slide 14 - Slide

Aangeleerd gedrag
Al het gedrag wat je nog niet direct vanaf de geboorte kan is aangeleerd.
leren door nadoen 
leren door inprenten 
leren door trial and error
leren door conditionering
leren door na te denken -> inzicht

Slide 15 - Slide

Inprenten
  • In de eerste weken leren jonge dieren en baby's wie hun ouders zijn.

  • Baby's herkennen binnen 2 dagen de geur van hun moeder.

  • Een jonge eend dat uit zijn ei komt, leert direct de vorm en geluiden van zijn moeder herkennen.

Slide 16 - Slide

Gewenning

  • Mensen en dieren leren om niet op alle prikkels te reageren.

  • Vogels leren bijvoorbeeld dat vogelverschrikkers geen gevaar vormen. Ze zullen er dan niet meer op reageren.

Slide 17 - Slide

Trial and error
  • Leren met 'vallen en opstaan'.

  • Door uitproberen leren dieren bijvoorbeeld wat wel en niet eetbaar is.

  • Trial and error heet ook wel proefondervindelijk leren.

  • In het plaatje hiernaast zie je ook een voorbeeld van trial and error.

Slide 18 - Slide

Inzichtelijk leren

  • Leren door nadenken.

  • Dieren en mensen bedenken in hun hoofd hoe ze een probleem moeten oplossen.

  • De kraai hiernaast vult de vaas met stenen, zodat het water omhoog komt. Als het water hoog genoeg komt kan hij drinken.

Slide 19 - Slide

Conditioneren
  • Leren door een verband te leggen tussen het gedrag en het gevolg daarvan.

  • De hond hiernaast heeft geleerd dat hij een beloning krijgt wanneer hij een trucje laat zien (op zijn achterpoten zitten), wanneer de baas dit vraagt.

  • Gedrag: op zijn achterpoten zitten. 
       Gevolg: Beloning (snoepje en vriendelijke woorden).

Slide 20 - Slide

Imiteren

  • Leren door nadoen.

  • Hiernaast zie je dat welpen leren drinken door hun moeder na te doen.

  • Zo leren kinderen bijvoorbeeld met bestek eten. En leren vogels vliegen.

Slide 21 - Slide


A
inprenting
B
gewenning
C
conditionering
D
inzichtelijk leren

Slide 22 - Quiz


A
conditionering
B
inprenting
C
trial and error
D
gewenning

Slide 23 - Quiz


A
inzichtelijk leren
B
trial and error
C
conditionering
D
gewenning

Slide 24 - Quiz

Sociaal gedrag

Gedrag van soortgenoten ten opzichte van elkaar

Communicatie via: houdingen, geluiden, kleuren, geuren, gebaren

Slide 25 - Slide

Hoe heet "versieren" in de dierenwereld?
A
Oversprong gedrag
B
Balts gedrag
C
Dominant gedrag
D
Onderdanig gedrag

Slide 26 - Quiz

Een partner vinden
Dieren vinden een partner door baltsgedrag te vertonen.

Dieren maken bij de balts gebruik van (overdreven) signalen.

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Video

Wat is het doel van de balts?
A
Gezellige tijd hebben
B
Kennis maken
C
Voorbereiding op paren
D
Pronken

Slide 29 - Quiz

Functies van de balts
  • Te laten zien dat je wilt paren
  • Te laten zien hoe sterk of zorgzaam je bent
  • De angst voor elkaar te verminderen
  • Gelijktijdig klaar te zijn voor de paring

Slide 30 - Slide

Voortplanting gedrag



Bij vogels en vissen noem je dit balts

Bij zoogdieren noem je dit bronst

Broedzorg: verzorgen van eieren of jongen


Slide 31 - Slide

Een 'eigen' gebied van een dier noem je ook wel een .... ?
A
Territorium
B
Balts
C
Domein
D
Huis

Slide 32 - Quiz

Territoriumgedrag

Dieren kunnen een eigen gebied hebben waar ze in leven. Dit noem je een territorium. De grenzen van dit gebied markeren ze door urine of geurstoffen.




Slide 33 - Slide

Dreig / imponeergedrag
Gedrag waarbij een dier zich zo groot en indrukwekkend mogelijk maakt.

Slide 34 - Slide

Rangorde in groepen bv. pikorde

Slide 35 - Slide

Normen en waarden
  • Mensen hebben beter ontwikkelde grote hersenen dan de meeste diersoorten. Hierdoor kunnen mensen nadenken over hun gedrag en hierover oordelen: goed of slecht.

  • Mensen hebben normen en waarden voor hun gedrag ontwikkeld.

  • Waarden geven aan wat mensen belangrijk vinden. Normen zijn de gedragsregels die bij een waarde horen.

  • Je leert wat er van jou verwacht wordt in het gezin, op school en later in de maatschappij.


Slide 36 - Slide

Rolpatronen

  • Bij mensen is er ook altijd een bepaald rolpatroon.

  • Dit zijn alle gedragingen die bij een rol horen. Bijvoorbeeld de rol van ouder, docent of kind.

Slide 37 - Slide

De baas in de groep
Het dominante dier is de baas over de onderdanige dieren in de groep.

Rangorde: een groep met dominante en onderdanige dieren, waar iedereen zijn plek kent.

Een rangorde brengt rust in de groep, de regels zijn duidelijk. 

Bij hennen heet de rangorde: pikorde.

Slide 38 - Slide

Wat is een signaal?
A
Een handeling
B
Een boodschap voor soortgenoten

Slide 39 - Quiz

Inwendige prikkel
Uitwendige prikkel
dolfijn ziet een vis en vangt hem
dolfijn in de nathuur heeft honger

Slide 40 - Drag question

Een jonge eend, net uit het ei, volgt meteen zijn moeder
A
Imiteren
B
Trail and error
C
Inzicht
D
Inprenting

Slide 41 - Quiz

Een harde knal is een
A
Inwendige prikkel
B
Uitwendige prikkel

Slide 42 - Quiz


Je hebt honger.
A
Inwendige prikkel
B
Uitwendige prikkel

Slide 43 - Quiz

Een blauwe reiger staat op zijn lange poten aan de rand van een sloot langdurig onbeweeglijk naar het water te kijken. Plotseling flitst zijn kop in de richting van een rimpeling in het water. De kop komt weer uit het water tevoorschijn, waarna de reiger een kikker naar binnen schrokt.

Is het met zijn kop naar de rimpeling in het water flitsen en de kikker ophappen een prikkel of respons?
A
prikkel
B
respons

Slide 44 - Quiz

Prikkel/respons
Sleep de stukjes tekst naar de juiste plek
respons
prikkel
Je ruikt een gaslucht
Je schrikt
Je loopt naar het gasfornuis
Je ziet dat de gasknop open staat
Je draait het gas uit

Slide 45 - Drag question

In welke volgorde doe je biologisch onderzoek?
Probleemstelling
Onderzoeksvraag
Verwachting
Werkplan
Resultaten
Conclusie

Slide 46 - Drag question

Wat betekend objectief?
A
Je mening geven
B
Je houden aan de feiten
C
Een object bekijken
D
Objectieven gebruiken

Slide 47 - Quiz

Gedragsketen
Protocol
Ethogram

Slide 48 - Drag question