This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 40 min
Items in this lesson
Taalverzorging
Slide 1 - Slide
Lettergrepen
Je kunt woorden in stukken verdelen. Die stukken noem je lettergrepen. Soms heeft een woord 1 lettergreep en soms meerdere.
1. werk, slaap, bak
2. ba-naan, wor-tel
3. con-clu-sie, mag-ne-tron
Slide 2 - Slide
Hoe weet je dat?
Je kunt de woorden langzaam zeggen, dan hoor je de stukjes.
Ieder woord heeft altijd een klinker in zich.
Wat zijn klinkers?
a, e, i, o, u
Slide 3 - Slide
ziekenhuis
Verdeel het woord in lettergrepen
Zet tussen de lettergreep een streepje (-)
Slide 4 - Open question
gezondheid
Verdeel het woord in lettergrepen
Zet tussen de lettergreep een streepje (-)
Slide 5 - Open question
recept
Verdeel het woord in lettergrepen
Zet tussen de lettergreep een streepje (-)
Slide 6 - Open question
bosbessen
Verdeel het woord in lettergrepen
Zet tussen de lettergreep een streepje (-)
Slide 7 - Open question
Meervoud/enkelvoud
Wanneer je van een woord meer kan maken, spreek je over meervoud.
Het meervoud van tafel is tafels.
Het meervoud van boom is bomen
Het meervoud van ei is eieren
Het meervoud van oma is oma's
Let op: soms veranderen er ook letters!
Slide 8 - Slide
meervoud van dag, glas, weg
Slide 9 - Mind map
meervoud van : kind, gat, glas
Slide 10 - Mind map
meervoud van ei, koe, stad
Slide 11 - Mind map
meervoud op -s
meervoud op -en
meervoud op 's
lepel
kleur
tekst
bloem
beest
broer
emmer
pasje
pyama
oma
paraplu
hobby
auto
gang
Slide 12 - Drag question
Een verkleinwoord is een zelfstandig naamwoord (mens, dier of ding) dat verkleind wordt!
Slide 13 - Slide
De meeste verkleinwoorden zijn gemakkelijk te maken.
Je zet achter het zelfstandig naamwoord:-je of -tje
huis - huisje
stad - stadje
stoel - stoeltje
Slide 14 - Slide
Een paar uitzonderingen
boom - boompje
koning - koninkje
woning - woninkje
oma - omaatje
auto - autootje
man - mannetje
ring - ringetje
Slide 15 - Slide
Wat is het verkleinwoord van het raam?
Slide 16 - Open question
Wat is het verkleinwoord van de tafel?
Slide 17 - Open question
Wat is het verkleinwoord van het schrift?
Slide 18 - Open question
Wat is het verkleinwoord van de woning?
Slide 19 - Open question
Wat is het verkleinwoord van de pan?
Slide 20 - Open question
Werkwoorden
Door het werkwoord kun je zien of de zin in tegenwoordige tijd (nu) of in verleden tijd (vroeger) staat.
Karel fietst iedere dag naar school
Karel fietste iedere dag naar school
Slide 21 - Slide
Tips
Lees de opdracht goed.
Het werkwoord dat je moet invullen staat tussen haakjes achter de zin.
We gaan even oefenen
Slide 22 - Slide
Schrijf de zin in de verleden tijd: Het glas ....... in de zon (blinken)
A
blinkt
B
blinken
C
blonk
D
blonkt
Slide 23 - Quiz
Vul het goede werkwoord in. Gisteren ........... ik naar school want de bus ....... niet (lopen, rijden)
A
liep, rijdt
B
loop, reed
C
loopt, rijdt
D
liep, reed
Slide 24 - Quiz
Schrijf de zin in verleden tijd: Op de stoep ....... een bananenschil (liggen)
A
ligt
B
lag
C
lach
D
lagen
Slide 25 - Quiz
Volgende week ....... we met de hele familie naar een pretpark. (gaan)
A
gaat
B
gaan
C
gingen
Slide 26 - Quiz
Vul het goed woord in. Ik ben met mijn ........ fatbike naar school gereden (zwart)
A
zwarte
B
zwarten
Slide 27 - Quiz
De ........... ring is in de sloot gevallen (zilver)
A
zilvere
B
zilveren
Slide 28 - Quiz
Tot slot herhalen we nog de hoofdletters en punten
Slide 29 - Slide
Hoe schrijf je: ik ga met kerstmis naar groot- brittannië
A
Ik ga met Kerstmis naar Groot- Brittannië.
B
Ik ga met kerstmis naar groot- Brittannië.
C
Ik ga met Kerstmis naar Groot-brittannië.
D
Slide 30 - Quiz
Hoe schrijf je: op dinsdag gaan we naar de maas
A
Op dinsdag gaan we naar de Maas.
B
Op Dinsdag gaan we naar De Maas.
C
Op dinsdag gaan we naar De Maas.
Slide 31 - Quiz
Vul de goede vorm van het woord in. Gebruik de verledentijd. (breken) De tak _____ in twee stukken Vul de goede vorm van het woord in Peter_______ samen met zijn vriend over straat. (lopen)
Vul de goede vorm van het woord in. Gebruik de verledentijd. (breken) De tak _____ in twee stukken
Slide 32 - Open question
Vul het verkleinwoord in Zit je lekker in het _________ van de bank. (hoek)
Vul het verkleinwoord in Zit je lekker in het _________ van de bank. (hoek)
Slide 33 - Open question
Vul het meervoud in De twee ________ vliegen in de lucht. (vogel)
Slide 34 - Open question
Vul de goede vorm van het woord in Peter_______ samen met zijn vriend over straat. (lopen)