A2 Vervolg op 3.8 TC

Lesdoelen. In de les van vandaag:

  • Hebben we geoefend met zinnen met als en omdat, hij zegt dat ... en hij vraagt of ...   
  • Leren we ook: zij zeggen dat ... zij vragen of ... wij denken dat ... wij vragen of ... jij denkt dat ... jij vraagt of ... enz.
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 2

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Lesdoelen. In de les van vandaag:

  • Hebben we geoefend met zinnen met als en omdat, hij zegt dat ... en hij vraagt of ...   
  • Leren we ook: zij zeggen dat ... zij vragen of ... wij denken dat ... wij vragen of ... jij denkt dat ... jij vraagt of ... enz.

Slide 1 - Slide

Zeggen dat
Hij zegt dat
Zij zegt dat
Ik zeg dat
Jij zegt dat
Wij zeggen dat
Zij zeggen dat
Jullie zeggen dat
U zegt dat
Vragen of
Hij vraagt of
Zij vraagt of
Ik vraag of
Jij vraagt of
Wij vragen of
Zij vragen of
Jullie vragen of
U vraagt of

Slide 2 - Slide

Gaan we nu iets anders doen?
Hij vraagt of....

Hij vraagt of we nu iets anders gaan doen.

Slide 3 - Slide

Ik vind school leuk, omdat....
A
ik leer er goed Nederlands spreken
B
ik er goed Nederlands leer spreken

Slide 4 - Quiz

Ik ga naar de kapper als ...
A
mijn haar is te lang
B
lang is mijn haar
C
mijn haar te lang is
D
mijn nagels zijn lang

Slide 5 - Quiz

Goed of fout:
Hij zegt of hij zijn fietsband zelf heeft geplakt.
A
Goed
B
Fout

Slide 6 - Quiz

Goed of fout:
Hij vraagt of ik autoverkoper wil worden
A
Goed
B
Fout

Slide 7 - Quiz

Gaan we nu iets anders doen?
Hij vraagt of .....
A
iets anders gaan we nu doen
B
gaan we nu iets anders doen
C
we nu iets anders gaan doen
D
nu gaan we iets anders doen

Slide 8 - Quiz

Maak de zin af en gebruik:
           
Hij zegt dat                                                                                  Hij vraagt of
                                                                                                                 

Slide 9 - Slide

Verhaaltje
Merel is de dochter van Jan en Mirjam.
Merel zegt: Ik wil niet naar school
Ze zegt: Ik ben ziek
Maar Jan en Mirjam denken: Merel is niet ziek
Ze vragen: Voel jij je ongelukkig?
Ze vragen: Word jij gepest door de andere meisjes uit de klas?
Ze zeggen: Dan gaan we vanmiddag met je juf praten.

Slide 10 - Slide

Verander het verhaaltje. Gebruik zeggen dat ..., denken dat ..., vragen of ...
Merel zegt: Ik wil niet naar school
Merel zegt dat ......................................................
Merel zegt: Ik ben ziek
Ze zegt dat ..............................................................
Maar Jan en Mirjam denken: Merel is niet ziek
Maar Jan en Mirjam  zeggen: Wij ........ dat  je niet ...................


Slide 11 - Slide


Merel zegt dat ze niet naar school wil.

Ze zegt dat ze ziek is.

Maar Jan en Mirjam zeggen: Wij denken dat je niet ziek bent.

Slide 12 - Slide

Verander het verhaaltje. Gebruik zeggen dat ..., denken dat ..., vragen of ...
Ze vragen: Voel jij je ongelukkig?
Ze  vr......  of ze zich ..............................................
Ze vragen: word jij gepest door de andere meisjes uit de klas?
Ze vr .....    ......     zij .............................................................................
Ze zeggen: Dan gaan we vanmiddag met je juf praten.
Ze .......... ....... ze dan vanmiddag  .......................................................

Slide 13 - Slide

Ze vragen of zij zich ongelukkig voelt

Ze vragen of zij gepest wordt 
                                door de andere meisjes in de klas.

Ze zeggen dat ze dan vanmiddag met de juf gaan praten.

Slide 14 - Slide