L1 Waarneming, gedrag en regeling

Thema 5
Waarneming
Gedrag
Regeling
1 / 51
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo t, mavo, havoLeerjaar 3

This lesson contains 51 slides, with interactive quizzes, text slides and 6 videos.

time-iconLesson duration is: 160 min

Items in this lesson

Thema 5
Waarneming
Gedrag
Regeling

Slide 1 - Slide

BS 1 Je omgeving waarnemen
Doelen van BS 1

1.  Wat is waarneming?
2. Wat zijn zintuigen?
3. Wat zijn prikkels en impulsen? 

Slide 2 - Slide

Iets waarnemen?

Slide 3 - Slide

BS 1 Je omgeving waarnemen
Je hebt 5 zintuigen:
Je tong, je huid, je oren, je ogen en je neus.
Met de zintuigen kan je invloeden van buitenaf (= prikkels) opvangen.

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

BS 1 Het zenuwstelsel
Elk zintuig is gevoelig voor een prikkel.

Zintuig
Adequate prikkel
Tong
Smaakstoffen
Huid
Tast
Oren
Geluid (trilling vd lucht)
Ogen
Licht
Neus
Geurstoffen

Slide 6 - Slide

BS 1 Het zenuwstelsel
In elk zintuig wordt een prikkel omgezet in een elektrisch signaal dat door je zenuwen kan reizen. Dat noem je een impuls.

prikkel
(licht)
Zintuig
(oog)
impuls

Slide 7 - Slide

Prikkel

Een invloed vanuit de omgeving waar je zintuigen gevoelig voor zijn. (denk aan licht, tast, smaakstoffen etc)
Impuls

Een prikkel wordt omgezet in een impuls. Een signaal dat over zenuwen kan reizen.

Slide 8 - Slide

Wat is een zintuig?
A
Een zintuig ontvangt prikkels van buitenaf
B
Een zintuig vervoert impulsen
C
In een zintuig wordt een impuls omgezet in een prikkel
D
Een zintuig is een elektrisch signaal

Slide 9 - Quiz

Wat is de adequate prikkel voor je tong?

Slide 10 - Open question

Wat is de adequate prikkel voor je ogen?

Slide 11 - Open question

Wat is de adequate prikkel voor je oren?

Slide 12 - Open question

Welke stellingen zijn juist?
A
Een prikkel wordt omgezet in een impuls
B
Een impuls wordt omgezet in een prikkel
C
Een impuls is een invloed van buitenaf
D
Een impuls is een elektrisch signaal

Slide 13 - Quiz

BS 2 Zenuwen
Er zijn 3 typen zenuwcellen:
1. Gevoelszenuwcel   
2. Bewegingszenuwcel  
3. Schakelzenuwcel  

Elk type zenuwcel heeft een
cellichaam met celkern 
en uitsteeksels die je uitlopers noemt. 
Impulsen reizen over zenuwcellen.
cellichaam
uitloper

Slide 14 - Slide

BS 2 Zenuwen
Gevoelszenuwcel
Een gevoelszenuwcel stuurt een impuls van een zintuigcel naar het centrale zenuwstelsel.

Zijn cellichaam ligt net buiten het CZS. Hij heeft een hele lange en een korte uitloper.
zintuigcel
uitloper
(lang)
uitloper
(kort)
cellichaam

Slide 15 - Slide

BS 2 Zenuwen
Schakelzenuwcel
Een schakelzenuwcel ligt volledig in het centrale zenuwstelsel, zijn cellichaam maar ook zijn uitlopers! Hij kan impulsen in alle richtingen geleiden!
uitloper
(kort)

Slide 16 - Slide

BS 2 Zenuwen
Bewegingszenuwcel
Een bewegingszenuwcel stuurt een impuls van het centrale zenuwstelsel naar een spier of klier.

Zijn cellichaam ligt binnen het CZS. Hij heeft een lange uitloper die naar de spier of klier toe gaat.
zintuigcel
uitloper
(lang)
uitloper
(kort)
cellichaam
cellichaam
uitloper
spier/klier

Slide 17 - Slide

Welke zenuwcel geleidt impulsen van het centrale zenuwstelsel naar een spier of klier?
A
gevoelszenuwcel
B
schakelcel
C
bewegingszenuwcel
D
geen een

Slide 18 - Quiz

Welke zenuwcel ligt volledig in het centrale zenuwstelsel?
A
gevoelszenuwcel
B
schakelcel
C
bewegingszenuwcel
D
geen een

Slide 19 - Quiz

Ik lig met mijn cellichaam in het centrale zenuwstelsel, maar mijn uitloper niet...
A
gevoelszenuwcel
B
schakelcel
C
bewegingszenuwcel
D
geen een

Slide 20 - Quiz

Ik lig met mijn cellichaam net buiten het centrale zenuwstelsel..
A
gevoelszenuwcel
B
schakelcel
C
bewegingszenuwcel
D
geen een

Slide 21 - Quiz

Ik kan impulsen meerdere kanten uit geleiden
A
gevoelszenuwcel
B
schakelcel
C
bewegingszenuwcel
D
geen een

Slide 22 - Quiz

Ik geleid impulsen van een zintuigcel naar het centrale zenuwstelsel toe..
A
gevoelszenuwcel
B
schakelcel
C
bewegingszenuwcel
D
geen een

Slide 23 - Quiz

Sleep de namen naar de juiste zenuwcel
bewegingszenuwcel
gevoelszenuwcel
schakelzenuwcel

Slide 24 - Drag question

BS 5 De weg van een impuls

Slide 25 - Slide

BS 5 De weg van een impuls
In een plaatje
In woorden

stap 1
   een prikkel prikkelt een zintuig
stap 2   in de zintuigcellen wordt de prikkel omgezet naar impuls
stap 3   de impuls reist via de gevoelszenuwcel en schakelcellen  naar de hersenen
stap 4   je hersenen verwerken je impuls, en je wordt je bewust
stap 5   je hersenen sturen een impuls via schakelcellen en bewegingszenuwcellen naar spier/klier
stap 6   reactie op de prikkel (beweging of klier die gaat werken)

Slide 26 - Slide

Let op! Prikkels die binnenkomen onder je hals komen het centrale zenuwstelsel binnen en verlaten het via je ruggenmerg.

Prikkels boven je hals gaan niet via je ruggenmerg, maar via je hersenstam!

Slide 27 - Slide

Prikkel onder hals
Route = blauwe pijltjes
Prikkel boven hals
Route = blauwe pijltjes

Slide 28 - Slide

BS 5 De weg van een impuls
De weg die we tot nu toe hebben gezien bij de weg van een impuls, is telkens een bewuste reactie!

Maar wat nou als je super snel moet handelen, bijvoorbeeld als je hand vuur aanraakt, of als je drijgt om te vallen?
De impuls volgt dan een shortcut via een reflexboog.
Een snellere route dus!

Slide 29 - Slide

BS 5 De weg van een impuls
De impuls volgt dan een kortere route via een reflexboog.
Waar komt dit op neer? De impuls slaat de hersenen over!

lekker eten zien/proeven/ruiken
speekselklierreflex
minder/meer licht
pupilreflex
droge ogen
knipperreflex
er komt iets op je af
afweerreflex
tikje op je knie
kniepeesreflex

Slide 30 - Slide

Reflex onder de hals via ruggenmerg
route = blauwe pijltjes
Reflex boven de hals via hersenstam
route = blauwe pijltjes

Slide 31 - Slide

Beschrijf de route van een impuls bij een bewuste reactie (onder de hals)
zintuigcel
gevoelszenuwcel
centrale zenuwstelsel
(ruggenmerg)

schakelzenuwcellen (1)
hersenen
schakelzenuwcellen (2)
bewegingszenuwcel
spier/klier

Slide 32 - Drag question

Beschrijf de route van een impuls bij een bewuste reactie (boven de hals)
zintuigcel
gevoelszenuwcel
centrale zenuwstelsel
(hersenstam)

schakelzenuwcellen (1)
hersenen
schakelzenuwcellen (2)
bewegingszenuwcel
spier/klier

Slide 33 - Drag question

Beschrijf de route van een impuls bij een 
reflex (onder de hals)
zintuigcel
gevoelszenuwcel
centrale zenuwstelsel
(ruggenmerg)

schakelzenuwcellen
bewegingszenuwcel
spier/klier

Slide 34 - Drag question

Beschrijf de route van een impuls bij een 
reflex (boven de hals)
zintuigcel
gevoelszenuwcel
centrale zenuwstelsel
(hersenstam)

schakelzenuwcellen
bewegingszenuwcel
spier/klier

Slide 35 - Drag question

Een vliegje komt op het oog af van een blinde meneer. Hij doet zijn ogen in een reflex dicht! Wat mankeert de man?
A
Zijn gevoelszenuwcellen zijn beschadigd
B
Het is toeval dat hij knippert. Hij is blind dus ziet niks!!
C
Zijn bewegingszenuwcellen zijn beschadigd
D
Zijn gezichtscentrum in de grote hersenen is beschadigd

Slide 36 - Quiz

Welk type impuls
zien we hier?
A
Een bewuste reactie boven de hals (via hersenstam)
B
Een bewuste reactie onder de hals (via ruggenmerg)
C
Een reflex boven de hals (via hersenstam)
D
Een reflex onder de hals (via ruggenmerg)

Slide 37 - Quiz

Welk type impuls
zien we hier?
A
Een bewuste reactie boven de hals (via hersenstam)
B
Een bewuste reactie onder de hals (via ruggenmerg)
C
Een reflex boven de hals (via hersenstam)
D
Een reflex onder de hals (via ruggenmerg)

Slide 38 - Quiz

BS 4 De hersenen
Doelen van BS 4

1.  Onderdelen hersenen
2. Functies per onderdeel
3. Hersencentra

Slide 39 - Slide

BS 4 De hersenen
Hersenen bestaan uit:
  1.  grote hersenen
  2. kleine hersenen
  3. hersenstam

Slide 40 - Slide

BS 4 De hersenen
Grote hersenen
Taak: verwerken impulsen. Als een impuls verwerkt wordt, wordt je je bewust. "Hé, ik voel wat", "Hé, ik zie iets", Hé ik hoor iets" enzovoort.

Reguleren beweging, emotie, redeneren, plannen, geheugen. Doen eigenlijk al het denkwerk.


Slide 41 - Slide

BS 4 De hersenen
Grote hersenen



De grote hersenen zijn verdeeld in hersencentra. Op het plaatje hiernaast zie je die centra liggen. Bij verschillende activiteiten gebruik je verschillende centra.

Voorbeeld: Als je aan het zingen bent gebruik je meerdere centra.
- spraakcentrum om te zingen
- bewegingscentrum om je mond te bewegen
- gevoelscentrum als je emotie erin legt
- enzovoort!

Slide 42 - Slide

BS 4 De hersenen
Kleine hersenen
Taak: coördinatie van bewegingen. Zorgt ook voor evenwicht. Je grote hersenen sturen je spieren en klieren aan, maar je kleine hersenen coödineren de precieze bewegingen.



Als er iets mis is met je kleine hersenen, lijk je daarom wel dronken....


Slide 43 - Slide

Welk onderdeel is voornamelijk betrokken bij het spelen van dokter Bibber?
A
Je grote hersenen
B
Je kleine hersenen
C
Je hersenstam
D
Is een hersenloos spel

Slide 44 - Quiz

Welke hersencentra gebruik je als je gitaar speelt?
A
Alleen je bewegingscentrum
B
Alleen je gevoelscentrum
C
Beiden
D
Geen een

Slide 45 - Quiz

Slepen maar!
Grote hersenen
Kleine hersenen
Hersenstam
Ruggenmerg

Slide 46 - Drag question

Slide 47 - Video

Slide 48 - Video

Slide 49 - Video

Slide 50 - Video

Slide 51 - Video