Leesvaardigheid les 14, 15 en 16

Welkom!
Ga rustig zitten en pak alvast je schrift en een pen erbij.


Wat gaan we vandaag doen?


Les 14: Tekstdoelen en les 15:Tekstverbanden
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Welkom!
Ga rustig zitten en pak alvast je schrift en een pen erbij.


Wat gaan we vandaag doen?


Les 14: Tekstdoelen en les 15:Tekstverbanden

Slide 1 - Slide

Even opfrissen...

Slide 2 - Slide

Wat weet je (nog) over tekstdoelen en tekstverbanden?

Slide 3 - Mind map

Mogelijke tekstdoelen kunnen zijn:
  • Informeren 
  • Instrueren
  • Overtuigen
  • Overhalen
  • Amuseren

Slide 4 - Slide

Informeren
- de schrijver wil je iets leren
- informatieve tekst
- alleen maar feiten (geen meningen)
- Tekstsoorten: 

Schoolboek/krantenartikel (niet allemaal)/autobiografie. 

Slide 5 - Slide

Instrueren
- De schrijver wil je uitleggen hoe je iets moet doen. 
- Instructietekst
- Tekstsoorten: 

Recepten/gebruiksaanwijzing/
handleiding

Slide 6 - Slide

Overtuigen
- De schrijver wil je overtuigen van zijn of haar mening
- Betogende tekst
- Tekstsoorten: 

Recensie van een film of boek / betoog/review

Slide 7 - Slide

Overhalen
- De schrijver wil dat je iets doet of koopt.
- Activerende tekst
- Tekstsoorten: reclame/poster

Slide 8 - Slide

Amuseren
- De schrijver wil dat je plezier hebt van de tekst.
- Amuserende tekst
- Tekstsoorten: 

Strip/film/toneelstuk/leesboek

Slide 9 - Slide

Tekstdoelen 
Informeren
De schrijver wil je iets leren
Instructie geven 
De schrijver wil je uitleggen hoe je iets moet doen
Overtuigen
De schrijver wil je overtuigen van zijn/haar mening
Overhalen 
De schrijver wil dat je iets doet of koopt
Vermaken/Amuseren
De schrijver wil dat je plezier hebt van de tekst

Slide 10 - Slide

Waar vind je bijvoorbeeld een informerende tekst?

Slide 11 - Open question

Wat is het verschil tussen een informerende en een overtuigende tekst?

Slide 12 - Open question

Les 15: Tekstverbanden en signaalwoorden

Slide 13 - Slide

Welk woord past er op de puntjes?

... mijn vader drie keer gevallen was, durfde hij niet meer te schaatsen.
A
Hoewel
B
Nadat
C
Zoals
D
Bovendien

Slide 14 - Quiz

Welk woord past er op de puntjes?

Ik vind pretparken niet leuk. ... word ik misselijk als ik rondjes draai en ... heb ik hoogtevrees.
A
Echter - ook
B
Bovendien - later
C
Allereerst - ook
D
Ondanks dat - niet alleen

Slide 15 - Quiz

Welk woord past er op de puntjes?

Frisdranken ... cola en sinas bevatten vaak erg veel suiker.
A
zoals
B
terwijl
C
ondanks
D
bovendien

Slide 16 - Quiz

Signaalwoorden en Tekstverbanden
Signaalwoorden zijn woorden die een tekst begrijpelijker maken.
Met deze woorden leg je verbanden tussen zinnen en alinea’s. Ze geven de lezer een ‘signaal’ (een teken), bijvoorbeeld: en, maar, toen, want, tenzij, zo, ten slotte. Signaalwoorden helpen de lezer dus door signalen te geven over hoe hij de tekst moet lezen.
Als je signaalwoorden verkeerd gebruikt, zal de lezer de tekst niet kunnen begrijpen.

Voorbeeld
Begrijpelijk:
Mijn fietslicht was kapot, daarom kreeg ik een bekeuring.
Niet begrijpelijk, vreemd:
Mijn fietslicht was kapot, toch kreeg ik een bekeuring.

Slide 17 - Slide

Mogelijke tekstverbanden
Opsomming: Ten eerste, daarnaast, en, verder, ook, bovendien, allereerst, ten slotte
Oorzaak en gevolg: Zodat, hierdoor, daardoor, waardoor, doordat
Conclusie: Dus, samenvattend, daarom, kortom
Tegenstelling: Maar, echter, toch, hoewel, daarentegen, desondanks, aan de ene kant, aan de andere kant
Voorbeeld: Bijvoorbeeld, zo, zoals, neem
Toelichting: Dat houdt in, dat wil zeggen, met andere woorden, zo, bijvoorbeeld
Tijd: Eerst, toen, daarna, vervolgens, later, ten slotte, voordat, vroeger, eerder, tegelijkertijd, intussen, terwijl
Doel en middel: Waarmee, daarmee, met het doel, met, door middel van

Slide 18 - Slide

Onderwerp
Het onderwerp van een tekst geeft aan waar de tekst over gaat.

Je schrijft het onderwerp van een tekst in één of twee woorden. In ieder geval geen zin!

Slide 19 - Slide

Hoofdgedachte
De hoofdgedachte van een tekst = wat wil de schrijver meegeven met de tekst die hij heeft geschreven?

Lees de titel - 1e alinea - laatste alinea --> Probeer daar een hoofdgedachte uit te halen. De hoofdgedachte schrijf je neer in een zin

Slide 20 - Slide


Opruimen is niet mijn sterkste kant. Rotzooi maken kan ik daarentegen wel goed.
Welk tekstverband?
A
Oorzaak en gevolg
B
Tijd
C
Tegenstelling
D
Opsomming

Slide 21 - Quiz


Zet je data en wifi op je telefoon uit. Hierdoor krijg je geen berichten meer binnen.
Welk tekstverband?
A
Oorzaak en gevolg
B
Doel en middel
C
Voorbeeld
D
Opsomming

Slide 22 - Quiz

Tijd
Opsomming
Tegenstelling
Toelichting
Nadat mijn vader drie keer gevallen was, durfde hij niet meer te schaatsen.
Ik vind pretparken niet leuk. Allereerst word ik misselijk als ik rondjes draai en ook heb ik hoogtevrees.
Ik durf niet in die snelle achtbaan, maar mijn broertje is een echte waaghals.
Frisdranken zoals cola en sinas bevatten vaak erg veel suiker.

Slide 23 - Drag question

Heb je nog extra uitleg nodig of heb je nog vragen?
Ja
Nee

Slide 24 - Poll

Aan de slag
Wat


les 56 opdracht 6-9 (poeziedossier, dus in word-document!)

Leesvaardigheid, in je schrift: 

Les 14: 1-8
Les 15: 1-10
Les 16: 1 t/m 13



Klaar?
Ga dan lezen in je leesboek


timer
10:00

Slide 25 - Slide