Les 1. la rutina diaria

¡Bienvenidos!
Mevrouw de Cuba
1 / 43
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

¡Bienvenidos!
Mevrouw de Cuba

Slide 1 - Slide

El programa 
Bienvenidos - 5 min
De aventura en Perú - 20 min
La hora - 15 min
Gramática- 20 min
¡A trabajar!- 10 min 
Vocabulario 

Slide 2 - Slide

En la mesa: TB & WB deel B

Slide 3 - Slide

¿Qué vamos a hacer?
- Contenido período 4
- Introducción al capítulo 4
-Leer un texto sobre Perú

Objetivos
- Información sobre las pruebas del período 4.
- Conocimiento básico sobre Perú. 
-Nuevas palabras sobre naturaleza y cultura.

Slide 4 - Slide

Periode 3
  1. Schrijfvaardigheid -> week 22
  2. Taaldorp      -> week  25/26

Thema's: 

- jezelf voorstellen 
- la rutina diaria 
- Eten bestellen in een restaurant 

 Weging:
10           (60 min)
20            (15 min)

Slide 5 - Slide

Capítulo 4
De aventura en Perú

¿Qué significa?

Slide 6 - Slide

La bandera peruana

Slide 7 - Slide

Ubicación

Slide 8 - Slide

  • Machu Picchu 
  • Está en los Andes peruanos
  • Construido por los incas
  • In de wereld erfgoedlijst van UNESCO sinds 1983.


Slide 9 - Slide

Slide 10 - Video

Hacemos:
WB Paso Adelante
p. 6 & 7 oef. 1 & 2 

timer
10:00

Slide 11 - Slide

Respuestas ejercicio 1 pág. 6                                

1A                 
  1. Omdat Columbus  Zuid-Amerika veroverde.
  2. Ruïnes van een oude Incastad (in een bergtop).
  3. De oorspronkelijke bewoners van Peru.
  4. De Andes gebergte (6,700 meter) & de Amazone.

1B
  1. Ecuador, Colombia, Brazilië, Bolivia en Chili.
  2. Stille Oceaan
  3. Lima
  4. Titicaca




Slide 12 - Slide

Respuestas ejercicio 2            pág. 7        
2A  
De aventura en Perú = Op avontuur in Peru

2B  
un perro = hond
un pez = vis
un canario = kanarie
un gato = kat 
ANIMALES TÍPICOS DE PERÚ



Slide 13 - Slide

ser en estar
Zowel ser als estar betekenen 'zijn'. Maar estar betekent ook 'zich bevinden'. Je gebruikt estar dus bij plaatsbepalingen. Bijvoorbeeld: 
Ik ben hier .- Estoy aquí .

Slide 14 - Slide

Ser
Estar
... met mijn 
hond in de tuin
... op het strand
... rood en zwart
... op de tafel
... tevreden
... erg oud
... docent
... in bad
... Japans
Waar ... ?
... knap
... blij
... lief
... groot

Slide 15 - Drag question

ser - estar - hay
ser = zijn (kenmerken, herkomst, beroep)
                               Maria es una chica simpática, es italiana y es psicóloga. 

estar = zijn, zich bevinden, plaatsbepaling of tijdelijke toestand 
                               Holanda está en el norte de Europa.
                                Manolo está muy triste.
hay = er is, er zijn
                               Hay muchos museos en Madrid.

Slide 16 - Slide

Vertaal de vraagwoorden:
waarom, hoe, wat, wie
A
porque, cuándo, quien, cuál
B
por que, como, que, quien
C
por qué, cómo, qué, quién
D
porque, quien, cómo, cuál

Slide 17 - Quiz

Vul in:
Lisa ___ enferma por un virus.
A
es
B
está
C
esta
D
ha sido

Slide 18 - Quiz

Los animales
🐶🐱🐹🐨🐼🐍🐒🦁🐁🐘

Slide 19 - Mind map

Slide 20 - Video

Vertal:
olifant, leeuw, aap, vogel
A
elefante, león, mono, pájaro
B
elefante, tigre, pez, pájaro
C
elefante, gato, mono, perro
D
elefante, león, burro, caballo

Slide 21 - Quiz

Woorden als desierto, isla, lago, hebben te maken met...
A
natuur
B
dieren
C
eten
D
landschap

Slide 22 - Quiz

¡Ahora tú mismo!   Oef.  9 + 10


Maak oef. 9  op blz. 11 - 12 


de oefening gaat over deze tekst:

timer
15:00

Slide 23 - Slide

Son las ... 
Es la ... 
Es la ... 
Son las ...

Het is ... 

Slide 24 - Slide

La hora (vrouwelijk)= het uur 
Vraag:
¿Qué hora es? (hoe laat is het)

Antwoord:
2- 12 uur : Son las dos, tres,...
1 uur : Es la una

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

PRACTICA
timer
5:00

Slide 28 - Slide

La hora
  1. La hora OPDRACHT
  2. La hora OPDRACHT
  3. (La hora OPDRACHT)
  4. (La hora OPDRACHT)


timer
15:00

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide

Wat is een wederkerend werkwoord?

Slide 34 - Slide

Wederkerende werkwoorden
  • Wat is een wederkerend werkwoord?
  • Hoe herken je een Spaans wederkerend werkwoord?
  • Verschil regelmatig en wederkerend werkwoord?

Slide 35 - Slide

VERBOS REFLEXIVOS
  • Wederkerende werkwoorden eindigen altijd op -se
  • Stap 1: Om ze te vervoegen haal je -se eraf en dan hou je een werkwoord over dat eindigt op -ar/-er of -ir, bijvoorbeeld: lavarse = zich wassen.
  • Stap 2: vind de stam
  • Stap 3 Vervoeg het werkwoord zoals je geleerd hebt en plaats de juiste uitgang achter de stam.
  • Stap 4: kijk of er eventueel nog een klinkerwisseling is. 
  • Stap 5: zet nu het wederkerend voornaamwoord ervoor. 

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

me lavo


te lavas


se lava


nos lavamos

os laváis

se lavan

Slide 38 - Slide

Wederkerende werkwoorden
Yo
me
pongo
Tú 
te
vistes
El
se
compra
Nosotros
nos
ponemos
Vosotros
os
vestís
Ellas
se
compran

Slide 39 - Slide

OJO
  • Sommige werkwoorden zijn in het Spaans wel wederkerend en in het Nederlands niet: despertarse (wakker worden), levantarse (opstaan)
  • Sommige wederkerende werkwoorden hebben ook een stamklinkerwisseling: despertarse, acostarse (naar bed gaan), vestirse (zich aankleden)
  • Alléén werkwoorden die eindigen op -se zijn wederkerend, pas dus op dat je niet overal me, te, se etc. voor gaat zetten!!!

Slide 40 - Slide

¡A trabajar!
¿Qué? escribe tu rutina diaria 
¿Cómo?  individualmente 
¿Tiempo? 20 min
¿Listo? aprender las palabras en Quizlet 

Slide 41 - Slide

Slide 42 - Slide

¡Fin de clase!

Slide 43 - Slide